DE INCORPORATIE VAN FLO­RES IN HET NEDERLANDS-INDISCH STAAT­SVERBAND

 

 



Thesis by:   Drs. J.C. Oele

Nieuwe en Theoretische Geschiedenis

Universiteit van Amsterdam

                     

Amsterdam, augustus 1995

 

 



INHOUDSOPGAVE


Inleiding en vraagstelling

 

Hoofdstuk 1  Theoretische inleiding

1.1  Inleiding

1.2  Staatsvorming en expansie in Nederlands-Indië

1.3  De penetratie van de Indische staat in de traditionele structuren van de samenlevingen in de Buitengewesten

1.4  Veranderingen in de Buitengewesten

 

Hoofdstuk 2  Flores, geografie en bewoners 

 

Hoofdstuk 3  De geschiedenis van Flores tot 1859

3.1  Flores tot 1800

3.2  Flores tussen 1800 en 1859

 

Hoofdstuk 4  Flores tijdens de periode van de onthoudings-politiek 1859-1902

4.1  Inleiding

4.2  De bestuurlijke indelingen

4.3  De verhouding tussen het gouvernement en de zelfbesturend  landschappen

4.4  Infrastructurele ontwikkelingen

4.5  Economische ontwikkelingen

4.6  Ontwikkelingen op godsdienstig- en onderwijsgebied

4.7  Ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied

4.8  Ontwikkelingen in het belastingstelsel

 

Hoofdstuk 5  De pacificatie van Flores 1902-1920

5.1  Inleiding

5.2  De gebeurtenissen tot 1907

5.3  De tocht van kapitein Christoffel

5.4  Flores tussen 1908 en 1920

 

Hoofdstuk 6  Flores tijdens het interbellum 

6.1  Inleiding

6.2  Bestuurlijke ontwikkelingen

6.3  Ontwikkelingen in de inheemse machtsstructuur

6.4  Ontwikkelingen op kampongniveau

6.5  Economische ontwikkelingen

6.6  Infrastructurele ontwikkelingen

6.7  Ontwikkelingen op godsdienstig- en onderwijsgebied

 

Hoofdstuk 7  Flores na 1942

 

Conclusie   

 

Overzicht van geraadpleegde werken

 




INLEIDING EN VRAAGSTELLING

Het eiland Flores ligt in het oostelijk deel van de Indonesische archipel. Het bergachtige en relatief dicht bevolkte eiland kent een lange koloniale geschiede­nis. De eerste Europeanen die het eiland, in 1522, aan deden waren de Portuge­zen. De Nederlanders kwamen ongeveer honderd jaar later. Ondanks dat er op Flores, vergeleken met andere eilanden in de Oost, weinig 'te halen viel', hebben zowel de Portuge­zen als de Nederlanders, in de loop der eeuwen, om uiteen lopende redenen, belangstelling voor het eiland getoond.

Rond het midden van de vorige eeuw kreeg de Nederlandse regering in naam de soevereiniteit over het eiland Flores, maar pas aan het begin van deze eeuw begon het Indische gouvernement zich uitdrukkelijker met het eiland te bemoei­en. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de incorpo­ratie van Flores in het Neder­lands-Indisch staatsverband.

In deze scriptie onderzoek ik hoe Flores in het Nederlands-Indisch staatsverband is opgenomen. Aan de hand van de geschiedenis van Flores beschrijf ik hoe het contact tussen Nederland en Flores in de loop der eeuwen is verlopen. De nadruk ligt op de eerste helft van deze eeuw toen Flores werd ingelijfd in het Nederlands-Indisch staatsverband. Wat waren de gevolgen van deze incorporatie voor het eiland Flores?

In de conclusie vergelijk ik de incorporatie van Flores met de incorpora­tie van andere delen van Nederlands-Indië. Tot slot probeer ik een antwoord te geven op de vraag wat de belangrijk­ste motieven waren voor de incorporatie van Flores.

In hoofdstuk 1 geef ik een theoretische schets van de groei van de koloniale staat en incorporatie van de verschillende gebiedsdelen in Nederland-Indië.

In de daarop volgende hoofdstukken beschrijf ik de geschie­denis van Flores, die ik ingedeeld heb in drie periodes: de vroeg koloniale tijd, de periode van de onthoudingspolitiek en de periode die volgde op de inlijving van Flores in het Nederlands-Indisch staatsverband.

In de conclusie probeer ik een antwoord te geven op de boven­staande vragen.

 

 



HOOFDSTUK 1     THEORETISCHE INLEIDING

1.1  Inleiding

Bij het zoeken naar een geschikte titel voor deze scriptie had ik de keuze uit een aantal mogelijkheden. Het is 'De incorporatie van Flores in het Nederlands-Indisch staatsverband' geworden, maar het had even goed 'De opname van Flores in het Nederlands-Indisch staats­sys­teem' of 'De integratie van Flores in het Nederlands-Indisch staats­bestel' kunnen heten. Deze titels komen allemaal op hetzelfde neer: De penetratie van de Nederlands-Indische staat in de 'traditi­o­nele' inheemse struc­tuur van Flores. Zo probeerde het Indische gouvernement het eiland, als onderdeel van de Nederlands-Indische staat, te beheersen en te besturen. Door dit proces vonden er veel veranderingen op Flores plaats.

In dit hoofdstuk beschrijf ik eerst hoe de Nederlands-Indische koloniale staat in de 19e eeuw op Java was gegroeid. De dynamiek van de koloniale staat zorgde rond de eeuwwisseling voor een ontwikke­ling waarbij die staat zich een groot aantal nieuwe taken ging aanmeten. Daarnaast breidde de koloniale staat haar gezag uit over die gebieden in de Indonesische archipel waar zij zich nog nauwe­lijks mee had bemoeid.

In paragraaf 2 gaat het over de penetra­tie van de staat in de inheem­se samenle­vin­gen van die nieuw verwor­ven gebieden. Hoe maakte de Indische staat gebruik van traditionele structu­ren om haar macht in een gebied te vestigen, uit te breiden en te consolide­ren.

Tot slot beschrijf ik een aantal, meer zichtbare, vormen van integra­tie die een belangrijke rol hebben gespeeld in de incorpo­ra­tie van gebieden, in dit geval Flores, in het Neder­lands-Indisch staatsver­band.

 

1.2  Staatsvorming en expansie in Nederlands-Indië

In 1907 gaf een koloniaal bestuursambtenaar een lezing voor het Indisch Genoot­schap waarin hij uiteen zette dat het onbewuste doel van het Nederlands imperialis­me het voltooien van de Indische staat was, door de verschillende delen van Nederlands-Indië onder de macht en invloed van het centrale gezag te brengen.[i] Het Nederlandse imperia­lisme was volgens hem dus niet een opzich­zelfstaand proces maar, een middel om een doel, de koloniale staat, te bereiken.

Tijdens het cultuurstelsel (1830-1860/70) bemoeide de Indische overheid zich, om het 'batig slot' zeker te stellen, met de produktie op Java, maar hield het zich, om onnodige kosten te vermij­den, zoveel mogelijk afzijdig van expansie in de Buitengewesten. Dit waren de hoogtijdagen van de 'onthoudingspolitiek'.[ii] Nederlands-Indië was in die tijd een oningevuld imperium. De buitengrenzen waren bij traktaat getrokken, daarbinnen was nog veel niet ingekleurd.

Na 1870 trok de koloniale overheid zich geleidelijk terug uit haar bemoeienis met de produktie en werd Indië opengesteld voor particu­lier kapitaal. Het bestuur kon zich vanaf dat moment toeleg­gen op een nieuwe taak, het scheppen van voorwaarden voor 'de ontwik­keling van land en volk' in het algemeen en het westerse bedrijfsle­ven in het bijzonder. Hierdoor werd het koloniale bestuur omvangrijker, recht­streekser en ingrijpender. Naast ambtenaren van het Binnen­lands Bestuur kwamen er, onder invloed van de 'ethische richting', die er onder andere op gericht was de welvaart van de Indones­iërs te bevor­de­ren, steeds meer gespecialiseerde diensten. Voor onder­wijs, land­bouw, veeteelt, gezond­heidszorg, volkskredietwe­zen en verbetering van de infrastructuur werden steeds grotere bedragen uitgetrokken.[iii] Dat vergde een modernisering van zowel het westerse als het inheemse bestuur in al zijn facetten, als ook van leger, politie, belastingen staatsin­richting en het recht.[iv]

Dit proces viel samen met de periode van het 'moderne imperialisme', waarin de westerse koloniale machten onderling de wereld verdeel­den. De Buitenge­wes­ten van Nederlands-Indië waren in de tijd van de onthoudingspolitiek erg verwaarloosd. Grote gebieden waren onbe­stuurde 'terra incognita'. Die witte vlekken op de landkaart konden nieuwkomers in de wedloop om koloniën, de Verenigde Staten, Italië, Duitsland en Japan, gemakkelijk op slechte gedachten brengen.[v] Het was nu de taak van de Indische regering deze gebieden veilig te stellen.

Daarnaast dienden de Buiten­gewesten te worden openge­legd voor het westerse kapi­taal en moest het inheemse produktievermogen worden ingescha­keld in het wereldverkeer. Fiscaal waren de Buitengewesten ook aantrekke­lijk. Van de belastingen die daar geheven konden worden zou, voor een deel, de uit­breiding van de be­stuursta­ken kunnen worden bekostigd.[vi] Om dit alles te kunnen berei­ken moest het gouverne­ment wel daadwerke­lijk gezag over alle delen van de Indische archipel hebben. J. à Campo omschrijft het koloniale staatsvor­mings­proces dan ook als volgt:

            'het vestigen en versterken van feitelijke soevereiniteit en daadwerkelijk bestuur over een duidelijk omgrensd grondgebied door een uitheemse mogendheid; het streven naar uiteindelijke verzelf­standiging, maar zeker voorlo­pig met behoud van een staatkundige band met het moeder­land; het streven op lange termijn naar een grotere mate van juridi­sche en politieke gelijkheid, zonder nochtans de bestaande voorrech­ten van de uitheemse bovenla­gen de feitelijke maat­schappe­lijke tweedeling op afzien­ba­re termijn aan te willen tas­ten.'[vii]

Het Nederlands imperialisme was dus een middel om de koloniale staat te bereiken. De ethische politiek, waarover in hoofdstuk 5 meer, kan volgens à Campo gezien worden als de ideologische uitdrukking van deze kolonia­le staatsvorming. De uitbreiding van het gezag en de staatsvorming kunnen dus niet los van elkaar worden gezien.

 

 

 

1.3  De penetratie van de Indische staat in de traditionele structuren van de samenl­evi­ngen in de Buitengewesten

Tijdens het staatsvormingsproces vestigde de Indische regering in vergelijking met de periode van de onthoudinspolitiek, een directer gezag in de Buitenge­wes­ten. De traditionele inheem­se be­stuursstruc­turen werden gemoderniseerd, waar­door het voor het gouver­nement gemakkelijker werd zijn onderdanen te bestu­ren. Tijdens dit proces onderging de inheemse maatschappij een aantal verande­rin­gen.

In de traditionele Indonesische vorstendommen kon de vorst ondermeer door zijn sacrale positie aanspraak maken op de steun van de plaatse­lijke hoofden. Daarnaast had hij een economische machtspositie door de controle over de handel en het monopolie op de belastingheffing. Maar dit wilde niet zeggen dat zijn positie stabiel was. De traditio­nele vorstendommen kenmerken zich juist door een voortdurende machts­strijd.[viii]

Met de dessa, de inheemse dorpsgemeenschap, had de vorst over het algemeen weinig te maken. Volgens Ruth McVey had hij buiten zijn woonplaats weinig directe invloed. Ondanks dat de dessa-bewoners niet recht­streeks door hun vorst werden bestuurd waren zij wel tribuut­plichtig aan hem. Zij werden bestuurd tussenper­sonen, de lokale hoofden, die via netwerken contacten hadden met het hof van de vorst.[ix]

Aan deze toestand maakte het gouvernement, tijdens de periode van de uitbrei­ding van het gezag in de Buitengewesten, een eind. De penetra­tie van het Nederlandse bestuur in de inheemse machts­structuren gebeurde soms op uitnodiging van een zwakke vorst, die steun zocht bij een sterkere macht in zijn strijd tegen rivaliserende familiele­den of plaatselijke hoofden.[x] Het kwam vaker voor dat de Indi­sche regering zich met bruut geweld mengde in de inheem­se maat­schappij omdat er in die gebieden toestanden heersten die het gouver­nement niet kon of wilde dulden. Het is de ethische politiek die hier om de hoek komt kijken. Mis­standen waarin vroeger, in de periode van de onthou­dinspolitiek, was berust werden door het gouver­nement niet meer ge­duld.[xi]

De vorsten moesten nadat hun gebied gepaci­fi­ceerd was, de 'Korte Verkla­ring' tekenen, die drie artike­len behelsde: erkenning van het Neder­landse oppergezag, aan­vaarding van de hoofd­lijnen van de Neder­lands-Indische wetgeving en de belofte zich te onthouden van contac­ten met vreemde mogendheden.[xii] De vorsten werden, nadat hun gebied door het Nederlandse bestuur geïncorporeerd was, belast met een grotere macht dan zij daarvoor ooit hadden gehad. Waar zij voorheen vooral een ceremo­niële en sacrale functie hadden bekleed, werden zij nu belast met het daad­werke­lijke bestuur over hun onderda­nen. Doordat het gouverne­ment geen interne machtsstrijd meer toeliet, werd de positie van de vorst alleen nog maar versterkt. ­Dit alles leidde tot een grotere afstand tussen de inheemse bevolking en het eigen be­stuur.[xiii] 

H. Schulte Nordholt legt in zijn boek, State, Village and Ritual in Bali (Am­ster­dam 1991) uit dat de koloniale overheid de macht van het dorpsni­veau naar het niveau van de vorst had verschoven. Tegelijkertijd was de vorst voor zijn positie afhankelijk van het Nederlandse bestuur gewor­den. De tussenperso­nen, de lokale hoofden, waren door dit nieuwe bestuurs­stelsel minder belan­grijk geworden omdat de dessa's nu rechtstreeks bestuurd werden door de vor­sten. De dessa's werden door het Neder­land­se bestuur veran­derd in een nieuw type administra­tieve dorpsge­meen­schap.[xiv] Omdat de nieuwe administra­tieve eenhe­den ongeveer van dezelfde grootte moesten zijn, werden sommige dessa's samen­gevoegd of werd een dessa opgedeeld.[xv]

Dit patroon van veranderingen kon in uitvoering per gebied verschil­len maar over het algemeen volgde het Nederlandse bestuur, met wat lokale aanpassin­gen, hetzelfde patroon.

 

1.4  Veranderingen in de Buitengewesten

Naast de veranderingen in de inheemse maatschappij door de modernise­ring van de inheemse machtsstructuren waren er nog andere, meer in het oog springen­de, veranderingen die het gevolg waren van de incor­poratie van nieuwe gebiedsde­len in het Nederlands-Indisch staatsver­band. Deze zijn echter moeilijk onder één noemer te brengen.

Zo toont à Campo in zijn boek Koninklijke Parketvaart Maatschap­pij; stoom­vaart en staatsvorming in de Indonesische archipel 1888-1914 (Amsterdam 1992) aan, dat de Koninklijke Parketvaart Maatschappij, ondermeer door middel van het uitbrei­den van de scheep­vaartdiensten, haar steentje heeft bijge­dragen aan het opleggen van de koloniale orde aan de Indonesi­sche volken.[xvi]

Ook de aanleg van telefoonkabels en telegraafstations hadden een integrerende werking. Alhoewel deze communicatiemiddelen in de Buitengewesten voorna­melijk door het bestuur werden gebruikt waren ze, voor een snelle verspreiding van nieuws in de archipel, van wezenlijk belang. Met de aanleg van nieuwe wegen konden goederen makkelijker vanuit het binnen­land naar de kust worden vervoerd, vanwaar zij, onder andere met de K.P.M., naar andere delen van Nederlands-Indië werden verscheept. Het Koloniaal Verslag van 1927 noemt de opening van de Floresweg uit politiek oogpunt van groot belang: 'daardoor zullen achtergebleven streken voeling krijgen met meer ontwikkelde gebie­den.'[xvii] De groei en modernisering van de ver­voermiddelen waren het logi­sche gevolg van de uitbreiding en de verbetering van de verbindingen.

Met het ontstaan van de zogenaamde 'welvaartsdepartementen', zoals in paragraaf 2 van dit hoofdstuk is besproken, gingen deze overheidsin­stel­lingen zich ook met de Buitengewesten bemoeien. Hun invloed was onder andere te zien op het terrein van de gezondheidszorg. Door de oprich­ting van ziekenhui­zen en het vaccineren van de inheemse bevol­king verbeterde de volksgezond­heid aanmerkelijk waardoor de bevol­kings­groei toenam.

Ook op het terrein van landbouw en veeteelt verrichten de nieuwe departe­menten veel werk. Via het aanmoedigen van bevolkingscultu­ren wilden zij de economische positie van de inheemse bevolking verbete­ren. Om deze bevol­kingsculturen zoveel mogelijk te stimuleren, werd de inheemse bevolking met raad en daad bijgestaan door ambtena­ren van deze departementen. Daarnaast werden in bepaalde gebieden door het gouvernement onder andere zaden en jonge boompjes uitgege­ven.[xviii]

Tijdens de incorporatie van de Buitengewesten probeerde de Indische regering die gebieden niet alleen in staatkundig opzicht maar ook monetair in te lijven. Met de invoering van het Neder­lands-Indische muntstelsel werd er een eind gemaakt aan de eeuwenoude ruilhandel en de monetaire chaos in de Buitenge­westen.[xix] Daarnaast kon met de invoering van een uniform muntstelsel ook een nieuw belas­tingsysteem in werking worden ge­steld.[xx]

Tijdens de pacificatie in de Buitengewesten waren, met het schep­pen van 'rust en orde', ook goede voorwaarden geschapen voor de vesti­ging van westerse bedrijven aldaar. Vrijwel direct na de pacificatie werd er door inge­nieurs van het gouvernement bekeken of er in die gebieden mijn­bouw mogelijk was. Voor de westerse ondernemingen die zich in de Buitengewesten vestigden werd kapi­taal en management van buiten geleverd, terwijl het werk op het veld en in de mijnen door inheemse werkkrachten werd uitgevoerd. Daarnaast werden fabrieken opgericht voor de verwerking van de verschillende produk­ten.[xxi]

Hierdoor steeg de export uit de ver­schil­lende delen van de Buitenge­westen van 80 miljoen gulden in 1900 naar meer dan 900 miljoen gulden in het topjaar 1924. Tegelijkertijd steeg de gezamenlijke import naar de Buitenge­westen in die periode van 50 naar 220 miljoen gul­den.[xxii] Door een verregaande integratie in de wereldmarkt tot stand te brengen werden zo de Buitengewesten ingescha­keld in de wereldecono­mie. Na 1929, tijdens de wereldcrisis, bleek over­duide­lijk hoe kwetsbaar de Buiten­geweste­lijke economie was en hoezeer de werkge­legenheid en de bestedingen afhankelijk waren geworden van de wissel­vallige conjunc­tuur op de wereldmarkt.[xxiii]

Met de uitbreiding van het bestuur en de bestuurstaken en de komst van westerse bedrijven steeg ook het aantal Europeanen in de Buiten­gewesten. Zij hadden een eigen, koloniale, stijl van huizen­bouw. Zij droegen over het algemeen westerse kleding en hadden een ander consumptiepatroon. Welk effect dit op de Buitengewesten heeft gehad, is echter moeilijk te meten.

Een van de belangrijkste veranderingen na de expansie was de bouw van scholen in de Buitengewesten. Maar educatie betekende meer dan het bouwen van scholen alleen. Volgens de Utrechtse hoogleraar J. van Goor was onderwijs het middel om een traditio­nele samenleving ontvan­kelijk te maken voor veran­de­ringen en vernieu­wingen op het gebied van hygiëne, landbouw, gezondheids­zorg en het maat­schappelijk leven. On­derwijs was daarmee de sleutel voor het totale ontwikkelingspro­ces.[xxiv]

Een deel van het onderwijs werd door de katholieke missie en de protestantse zending verzorgd. Het effect van deze instellingen op het integratieproces moet niet worden onderschat. Met de bekering van een deel van de inheemse bevol­king tot het christendom hoopten zij burgers te kweken die loyaal waren aan de Indische staat.[xxv]

Zo was de Indonesische archipel onder Nederlandse leiding een (rela­tieve) eenheid geworden, want sterker dan enige andere staat daarvoor in de Indonesi­sche archipel heeft de Nederlands-Indië regering het leven van zijn onderdanen vanuit het centrum be­nvloed. Aan het begin van de eerste wereldoor­log was de over een zeer groot gebied verspreide bevol­king onder één centraal bestuur ver­enigd, met een uitstraling naar alle hoeken van de archi­pel, alhoewel de culturele en etnische ontwikkelingen zeer verschillend waren.



[i].        J. à Campo, Koninklijke Parketvaart Maatschappij; Stoomvaart en Staats­vor­ming in de Indonesische archipel 1888-1914 (Amsterdam 1992) 25-26.

[ii].       C. Fasseur, 'Een koloniale paradox. De Nederlandse expansie in de Indonesi­sche archipel in het midden van de negentiende eeuw (1830-1870)', Tijdschrift voor Geschie­denis 92 (1979) 162-186, aldaar 162-166.

[iii].      C. Fasseur, De weg naar het paradijs (Amsterdam 1995) 28-46, aldaar 41-43.

[iv].       à Campo, Koninklijke Parketvaart Maatschappij, 30.

[v].       M. Kuitenbrouwer, Nederland en de opkomst van het moderne imperia­lisme (Amsterdam 1985).

[vi].      Goor, J. van 'ed.', Imperialisme in de marge. De afronding van Neder­lands-Indië (Utrecht 1986) 242-248.

[vii].     à Campo, Koninklijke Parketvaart Maatschappij, 27.

[viii].     E. Locher-Scholten, Sumatraans Sultanaat en de kolo­ni­ale staat (Leiden 1994) 18-20.

[ix].      R.T. McVey, 'Introduction Local Voices, Central Power', in R.T. McVey 'ed.', Southeast Asian Transitions. Approaches through social history (New Haven 1978) 1-31, aldaar 8-9.

[x].       McVey, 'Introduction', 12-13.

[xi].      Fasseur, De weg, 123-125.

[xii].     J.M. Somer, De Korte Verklaring (Breda 1934).

[xiii].     McVey, 'Introduction', 17-20.

[xiv].    H. Schulte Nordholt, State, Village and Ritual in Bali (Amsterdam 1991) 13.

[xv].     Schulte Nordholt, Sate, Village and Ritual, 13.

[xvi].    A Campo, Koninklijke Parketvaart Maatschappij.

[xvii].    Koloniaal Verslag 1927, 41-44.

[xviii].   A.H.P. Clemens, 'De inheemse rubbercultuur in Jambi en Palembang tijdens het interbellum', in A.H.P. Clemens en J.Th. Lindblad 'ed.', Het belang van de Buitengewesten. Economische expansie en koloniale staats­vorming in de Buitengewesten van Nederlands-Indië 1870-1942 (Amster­dam 1989) 213-241, aldaar 214-216.

[xix].    C.J.M. Potting, 'De komst van Nederlandse banken naar Sumatra, 1877-1914', in: A.H.P. Clemens en J.Th Lindblad 'ed.', Het belang van de Buitenge­westen (Amsterdam 1989) 67-94, aldaar 67-68.

[xx].     J. à Campo, 'Orde rust en welvaart: Over de Neder­landse expansie in de Indische archipel omstreeks 1900', Acta Politica 15 (1980) 145-189, aldaar 170. 

[xxi].    J. Th. Lindblad, 'De opkomst van de Buitengewesten', in: A.H.P. Cle­mens en J.Th. Lindblad 'ed.', Het belang van de Buitengewesten (Amster­dam 1989) 1-37, aldaar 11-15.

[xxii].    Lindblad, 'De opkomst', 9.

[xxiii].   Ibidem, 22-25.

[xxiv].   J. van Goor, De Nederlandse koloniën. Geschiedenis van de Nederlandse expansie 1600-1975 (Utrecht 1994) 273-275.

[xxv].   S. Dietrich, Kolonialismus und mission auf Flo­res (Hohenschäftlarn 1989) 220-224.





HOOFDSTUK 3     DE GESCHIEDENIS VAN FLORES TOT 1859

3.1  Flores tot 1800

De naam Flores, die afgeleid is van de Portugese naam 'Cabo de Flores' wat bloemenkaap betekent, is niet, zoals lang werd gedacht, door de Portugezen bedacht. De naam bestond reeds in het Maleis, namelijk 'Tandjoeng Boenga', die door de Portugezen letterlijk is ver­taald in 'Cabo de Flores'.[i] Hiermee werd oor­spronkelijk alleen de noordoostpunt van het eiland bedoeld. Later werd die naam door de Neder­landse gouverneur-generaal Hendrik Brouwer, van de kaap op het hele eiland overge­dragen.[ii]

In de loop der eeuwen zijn de oorspronkelijke bewoners van Flores, uit angst voor Boeginezen en Makassaren en andere zeevarende volken, die de kust van het eiland belaagden, naar het bergachtige binnen­land ver­huisd. Aan de kust vestigden de Boegine­zen en Makassaren en andere kolonis­ten kleine rijkjes met aan het hoofd een radja. In de 13e eeuw waren deze rijkjes in naam onderhorig aan het rijk van Madjapahit en een eeuw later aan de vorsten van Makassar.[iii] Ook andere gebieden, zoals Boeteng en Ternate, hebben geprobeerd delen van het eiland te beheersen.

De eerste Europeaan die in 1522 de kust van Flores bezocht was de Portugees Del Cano. In de loop van de 16e eeuw vestigden de Portuge­zen zich op een aantal plaatsen op Flores en op het eilandje Solor, dat zo'n vijftien kilome­ter ten oosten van Flores ligt. Te Larantoeka werd een fortje en op Solor een missie-post gebouwd.[iv]

De Portugese Dominicaner missie was zeer succesvol in de Timor archipel. In 1567 werd het aantal bekeerden op Timor en Flores op 50.000 ge­schat. In het plaatsje Endeh aan de zuidkust van Flores waren in 1599 ongeveer acht duizend inheemse christenen.[v] Daar werd in de baai van Endeh aan de zuidkust van Flores op het eilandje Poelau Endeh, in 1570 een fort gebouwd, 'Forta­leza do Ende Minor' genaamd. Deze post werd opgericht ter bescherming van de inlandse christenen die veel hinder ondervon­den van Javaanse zeero­vers.

In de 16e eeuw breidde ook de islam, vanuit Makassar, haar invloed over het eiland uit. De Portugezen konden op het eilandje Poelau Endeh niet stand­houden. In 1605 werden zij door een onder islami­ti­sche leiding staande inheem­se legermacht van die plek verdreven.[vi]

De Portugese invloed in de Timor archipel was tanende. Ook te Solor hadden Dominicaner missionarissen moeite om de inheemse christenen te beschermen tegen de islamitische invloeden. Alhoewel Portugese kooplui Flores twee keer per jaar aandeden om sandel­hout te halen, toonde de Portugese gouverneur van Malakka geen belang­stelling voor het eiland en de op Solor gevestigde missie­post. De missionaris­sen moesten daarom de verdediging van de missiepost zelf organi­seren.

In 1613 verscheen voor de kust van Solor echter geen islamitische, maar een Nederlandse vloot van vier schepen onder leiding van Apolo­nius van Schot. Zij openden vrijwel meteen het vuur.[vii] De inheemse christenen die onder leiding van de missio­narissen de missiepost verdedigden werden uiteindelijk gedwongen zich over te geven.[viii] In 1618 werd met de hoofden van Solor een verdrag gesloten, waarbij het Nederland­se oppergezag werd erkend. Daarna er een post­hou­der van de VOC op Solor werd geplaatst. De Portugese invloed verdween echter niet geheel en nam weer toe toen de VOC enige jaren later, teleurge­steld door de slechte handelsresultaten, zich gedeeltelijk uit dit gebied terugtrokken.

Eerst in 1660 en daarna nog eens in 1667, sloot gouverneur-generaal Speel­man met de vorst van Makassar een contract volgens welke de VOC het monopo­lie op de specerijhandel in het Makassaarse gebied zou krij­gen. Flores als 'onder­horigheid' van Makassar was hierbij inbe­gre­pen. Tegelijkertijd werd Bima, een vorstendom op het eiland Sumbawa, aan de suprematie van Makassar onttrok­ken en onder het directe bestuur van de VOC geplaatst. Sindsdien was het westelijke gedeelte van Flores, ook wel de Manggarai geheten, een twistgebied tussen de vorsten van Makassar en Bima.[ix] In 1822 beslechtte het gouvernement tenslotte de strijd en kende het de Manggarai aan Bima toe.

In 1691 vestigde de VOC te Baraai, aan de baai van Endeh, een post­hou­der. Van daar werd vooral sandelhout, slaven en wilde kaneel uitgevoerd. Deze post bleef tot het eind van de 18e eeuw bestaan.[x]

De Portugese invloed was op Flores, voornamelijk te Larantoeka en Sikka, niet verdwenen, alhoewel volgens artikel 6 van het con­tract van 1667 officieel was bepaald dat de Portu­gezen zich niet meer in die contreien mochten vestigen. De VOC achtte deze plekken echter niet belangrijk genoeg. Daarom lieten zij oogluikend toe dat de radja's van deze plaatsen nog steeds de Portugese supre­matie erken­den.[xi] Dit was type­rend voor het Nederlandse gedrag ten aanzien van Flores. De contacten met die streken waren in de 18e eeuw van weinig belang. Daarbij kwam, dat het er ook niet erg veilig was door de veelvuldig voorko­mende zeero­verijen, waaraan de kustbevolking zich schuldig maakte.

Ondanks dat de VOC zich weinig met deze streken bemoeide werd er in 1756, ondermeer met een hoofd van Solor, een con­tract geslo­ten die op 1 april 1757 door gouverneur-generaal Mossel gerati­ficeerd werd, en dat sindsdien als het 'groot-charter' voor de Timor archipel moet worden aangemerkt. Hiermee heeft de VOC en daarna de Nederlandse regering haar aanspraken en rechten in deze streken doen gelden. Het was tot stand gekomen onder leiding van regerings­commis­saris Paravi­cini.[xii]


 

3.2  Flores tussen 1800 en 1859

Na een korte Engelse interimperiode her­stelde de Nederlandse regering in 1816 haar gezag in de Indonesische archipel. In 1818 werden de eilanden van de Timor archipel onder het bestuur van de Molukken gebracht. Een jaar later werd het tot een zelfstandige residentie verheven waarvan de heer Hazaar de eerste resident werd.[xiii] Rond die tijd ontstond met de Portuge­zen een geschil over de weder­zijdse bezittin­gen. Er werd toen een overeen­komst gesloten waarin afspraken werden gemaakt over de invloeds­sferen op een aantal eilanden in de Timor archipel. Oost-Flores kwam daarin voor als een Portugese bezit­ting. Over Endeh op Midden-Flores werden geen afspraken ge­maakt.[xiv]

In 1838 kreeg de 'Koloniale Marine' de opdracht onderzoek te doen naar een aantal gepleegde zeeroven en eventueel de schuil­plaatsen van de zeerovers op Flores op te sporen en te vernieti­gen. Omdat een brief­wisseling met de Portuge­se gouverneur van Dilly op Oost-Timor over de schuld van Larantoeka inzake zeeroverij tot een onbevredigen­de uitkomst had geleid, werd die plaats als eerste aangedaan. Bij aan­komst in Laran­toe­ka wapperde de Portugese vlag op het strand. Ook was er een inland­se benteng (soort fort) opgeworpen, maar de radja was verdwenen. De benteng werd vanaf de Nederlandse schepen bescho­ten. Er volgde een landing waarna de kampong in brand werd gesto­ken.[xv]

Na deze tuchtiging, die in feite op buitenlands grondgebied had plaatsgevonden, zette men de tocht voort naar de Baai van Endeh waar ook enige kampongs vanaf de schepen beschoten werden. Als gevolg van deze tuchtiging verschenen er in 1839 zeven rijksgroten van Endeh te Koepang op Timor waar de resident van Timor en Onderho­righeden zetelde. Zij kwamen hun onderwerping aanbie­den waarna ze een con­tract ondertekenden waarin stond dat ze het Nederlandse oppergezag zouden aanvaar­den.[xvi]

In 1848 ontstond op het op 30 kilometer van Flores gelegen eilandje Lomblem een aantal geschillen tussen Nederlands-Indi­sche en Portugese onderdanen, waarna de autoriteiten van beide landen zich in deze geschillen mengden. De Nederlandse regerings­commissa­ris Steijn Parvé werd naar Timor gezonden om de ge­schillen te vereffe­nen. Met het oog op de toekomst moest hij daarnaast een duidelijke omschrij­ving geven van de wederzijdse souverei­niteitsrechten. Parvé kon slechts bereiken dat de Nederlandse soeve­rei­niteit over enkele plaatsen, die daadwer­kelijk door Nederland waren bezet, werden erkend. Daarna werden de onderhandelingen overgelaten aan de Europe­se diplomatie.[xvii]

Uiteindelijk, na vijf jaar onderhandelen, werd op 5 oktober 1854 een traktaat gesloten waarin Nederland alle Portugese bezittingen in de Timor archipel, behalve Oost-Timor, van de Portugezen overnam voor een prijs van tweehon­derdduizend gulden. Dit verdrag werd in april 1859 door de Nederland­se regering geratifi­ceerd. Vanaf dat moment had Nederland, althans in naam, de soeverei­niteit over het hele eiland Flores.



[i].        P.J. Veth, 'Het eiland Flores', Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië 17 (1855) 153-184, aldaar 155.

[ii].       B.C.C.M.M. Van Suchtelen, Endeh (Flores) (Weltevreden 1921) 10.

[iii].      Paulus, Encyclopaedie, 715.

[iv].      F.C. Heynen, 'Het rijk Larantoeka op het eiland Flores in Nederlandsch-Indië', Studiën op Godsdienstig, Wetenschappelijk en Letterkundig Gebied 7 (1876) 1-96, aldaar 16-22.

[v].       G.P. Rouffaer, 'Naschrift over het oud-Portugeesche fort op Ende; en de Dominikaner Solor Flores missie, 1561-1631', Nederlandsch-Indië, Oud en Nieuw 8 (1923\24) 76-84, 121-128, 141-148, aldaar 79-81.

[vi].      Suchtelen, Endeh (Flores), 9.

[vii].     J.H.P.E. Kniphorst, 'Een terugblik op Timor en Onder­hoorigheden', Tijd­schrift voor Nederlandsch-Indië 14 I (1885) 355-380, 401-483, aldaar 378.

[viii].     B.M.H. Vlekke, Geschiedenis van den Indischen Archi­pel (Roermond 1947) 139.

[ix].      Veth, 'Het eiland Flores', 171.

[x].       Suchtelen, Endeh (Flores), 11.

[xi].      Veth, 'Het eiland Flores', 171.

[xii].     Kniphorst, 'Een terugblik', 404-405.

[xiii].     Ibidem, 418.

[xiv].    Paulus, Encyclopaedie, 716.

[xv].     Veth, 'Het eiland Flores', 176.

[xvi].    Paulus, Encyclopaedie, 716.

[xvii].    Kniphorst, 'Een terugblik', 420.




HOOFDSTUK 4     FLORES TIJDENS DE PERIODE VAN DE ONTHOUDINGSPOLITIEK 1859-1902

4.1  Inleiding

Na het traktaat met Portugal van 1859 was Flores voor het eerst in zijn geheel officieel een onderdeel van Nederlands-Indië geworden. Toch verander­de er weinig in de houding van het gouverne­ment jegens het eiland. Gedurende een groot deel van de 19e eeuw gold er een strikte onthou­dingspo­litiek ten opzichte van de Buitengewes­ten. Voor de Residentie Timor en Onderhorigheden werd hierop geen uitzon­dering gemaakt. De belang­rijkste argumenten voor deze onthoudingspolitiek lagen zowel op het financiële als het militaire vlak.[i]

Voor Flores was vooral het financiële argument van belang. Het eiland was voor het gouvernement van weinig economische waarde. Het zou financieel minder opleveren dan er in zou worden geïnvesteerd, waardoor het gouver­nement er dan ook zo weinig mogelijk mee te maken wilde hebben.[ii] In een lastgeving uit 1868 van de resident van Timor aan de posthou­der van Endeh stond uitdrukkelijk dat hij niet was gezonden om te besturen, doch slechts om toe te zien. Alles wat zou kunnen leiden tot een grotere bestuursbemoeienis moest streng verme­den worden. Meer bestuur zou meer geld kosten zonder dat kon worden voor­zien of daarvan directe voordelen voor het gouvernement van te verwachten waren.[iii] 

Op de lange termijn wilde het gouvernement Flores ontslui­ten voor de wereld­han­del. Op de korte termijn moest de slaven­han­del en de pirate­rij zoveel mogelijk worden tegen gegaan.[iv] In de praktijk lukte dat niet altijd even goed en was er nogal wat kritiek op de onthou­dings­politiek. In 1877 klaagde een anonieme auteur in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, dat de residen­tie Timor en Onderhorigheden door het gouvernement met teveel onver­schil­ligheid bejegend werd. De radja's van de zelfbe­stu­rende land­schappen genoten volgens hem een te grote mate van onafhankelijk­heid. Ze mochten dood­straffen opleg­gen en het volk knevelen en beroven. Dit alles kon gebeuren terwijl het onze plicht toch was om alles in het werk te stellen om deze volkeren tot beschaving te brengen.[v]

In 1885 klaagde de oud-resident van de Timor archipel, de heer Riedel, in de Indische Gids over de spanningen tussen de inheemse bevolking en de strand­vol­keren. Deze laatsten zouden de oude naam van de VOC, de Kompania, misbrui­ken om de oorspronkelijke bevolking er onder te krijgen waarna zij hen als slaaf verkochten. Deze mensen­roof zou soms gepaard gaan met koppensnel­lerij.[vi] In datzelfde jaar beweer­de J.H.P.E. Kniphorst dat er door de onthou­dingspo­li­tiek in de Timor archipel er een gemis aan rechtszekerheid be­stond, waardoor er geen grote uitbreiding van de katoen- en tabaks­cultuur viel te verwach­ten.[vii]

Toch werd de onthoudingspolitiek niet in het extreme doorgevoerd. Ze mocht verbroken worden als de omstandigheden erom vroegen maar dat moest op eigen inzicht van de resident gebeuren. In de praktijk heeft dit nogal wat problemen opgeleverd.

 

4.2  De bestuurlijke indelingen

Na het traktaat van 1859 werd Flores opgedeeld in verschillende afdelingen. West-Flores, ook wel de Manggarai genoemd, dat tot het gebied van de sultan van Bima behoorde, bleef een onderdeel van het gouver­nement van Celebes. De rest van Flores behoorde vanaf dat moment tot de residen­tie Timor en Onderho­righeden.

Hiërarchisch gezien was de resident van Timor en Onderho­righeden de hoogste ambtenaar in dit gebied. Onder hem stonden de hoofden van de afdelingen. Dat kon een controleur of in minder belangrijke gebieden een civiel-gezaghebber zijn. Controleurs waren speciaal door het Binnenlands Bestuur opgeleide bestuursambtenaren terwijl de civiel-gezaghebbers over het algemeen werden gerecruteerd uit het klerken­personeel. Soms werd voor de functie van civiel-gezaghebber ook officieren aangenomen. Onder deze ambtenaren stonden de post­houders die het Neder­landse gezag vertegenwoordigden in de onderafde­lingen.

In 1859 waren de grenzen tussen de afdelingen van Flores nog niet hele­maal duidelijk. Nog in 1874 vermoedde een roomskatho­lieke hoog­waar­dig­heidsbekle­der die het eiland bezocht, dat de sultan van Bima met zijn bezit van Mangga­ria het hele eiland Flores bedoelde.[viii] Offi­cieel was de grens al vastgesteld in 1865. Toen werd bij Indisch-be­sluit, besloten dat alles ten westen van de lijn Potta-Nangaramo tot het gouvernement van Celebes behoor­de.[ix] Bij dat­zelfde besluit werd ook het gebied van de radja van Larantoe­ka beschreven. Hij mocht zijn gezag uitoefenen ten oosten van de lijn Maoemere-Paga. Dit gedeelte van het eiland was een onderdeel van de afdeling Laran­toeka en Onderhorigheden. De hoogste Nederlandse ambte­naar van die afdeling was een civiel-gezaghebber. Zijn stand­plaats was te Laran­toeka. De rest van het eiland tussen de lijnen Potta-Nanga­ramo en Maoemere-Paga, ook wel Midden-Flores genoemd, was in 1871 een onder­afdeling van de afdeling Soemba en Onderhorigheden geworden. De posthouder had zijn standplaats in het plaatsje Endeh aan de zuidkust van Flores.[x]

Larantoeka was in feite al in 1853, dus negen jaar voor de officiële ratificatie van het verdrag met Portugal, onder Nederlandse gezag gekomen. Voor een prijs van Fl. 80.000,- hadden de Portugezen het plaatsje ontruimd. Toen gouver­ne­mentscommis­saris C.F. Goldman, die de overeenkomst met Portugal had getekend, in Larantoeka aankwam stond er allen nog een 'onooglijk fortje' waar hij terstond de Neder­landse vlag liet hijsen.[xi] Daar werd toen ook een Neder­lands garnizoen ge­plaatst waarvan de commandant tevens de eerste civiel-gezaghebber van de afdeling Larantoeka en Onderho­righeden werd. In 1862 werd in Larantoeka voor het eerst geen militaire civiel-gezag­hebber ge­plaatst.[xii]

Het garnizoen werd in 1864, op voorstel van de toenmalige resident, samen met de andere twee garnizoenen in de residentie Timor opgehe­ven. Zijn opvolgers zouden later graag deze militaire bezettingen terug willen hebben, maar het gouvernement stond dit niet toe. Volgens Batavia was er geen behoefte aan Nederlandse garnizoenen in de Timor archipel. In geval van nood zou er hulp uit Makassar, dat op drie dagen varen van Flores lag, kunnen komen.[xiii]

In 1878 werd het plan opgevat om een groter aantal ambtenaren aan te stellen in de Timor archipel. Het liefst Europese gezaghebbers die laag in rang waren zoals een posthouder. Zij zouden meer geëigend zijn in de omgang met de 'weinig beschaafde vorsten en hoofden' in de Timor archipel dan de hogere ambtenaren.[xiv]

Dientengevolge werd in 1878 de onderafdeling Midden-Flores ge­splitst in de onderafdeling Zuid-Flores die tot de afdeling Soemba bleef behoren en de onderafdeling Noord-Flores die tot de afdeling Laran­toeka ging behoren. De hoofdplaats van de nieuwe onderafdeling Noord-Flores werd Maoemere waar een posthouder werd geplaatst.[xv] Daarnaast werd de rest van de afdeling Larantoeka en Onderhorigheden opge­splitst in twee onderafdelingen: de onderaf­deling Solor-eilanden waar te Terong, op het eiland Adanaro, een posthouder geplaatst werd, en de onderaf­de­ling Larantoeka die rechtstreeks onder de civiel gezag­hebber viel. Aan deze tamelijke gecompliceerde bestuurs­indeling verander­de er tot het eind van de vrijwel eeuw niets.

 

4.3  De verhouding tussen het gouvernement en de zelfbesturende land­schappen

De taak van de resident en zijn ambtenaren in de Timor archipel was leiding te geven aan de vorsten en hoofden en het besturen van de gouvernementsonderda­nen die daar waren gevestigd.[xvi] Gouvernements­onderdanen waren op Flores vrijwel niet aanwezig. Het controle­ren van de vorsten behoorde daarom tot hun voornaamste taak.

De vorsten stonden aan het hoofd van zelfbesturende landschappen, waarbinnen zij alle interne aangelegenheden in principe zelf regel­den. De verhouding tussen deze vorsten en het gouvernement was gebaseerd op de contracten die gouver­ne­ments-commissaris Paravicini in 1756 gesloten had en die later met kleine wijzigingen waren vernieuwd.[xvii] Op Flores waren de meeste contrac­ten pas in de tweede helft van de 19e eeuw gesloten maar de inhoud was bijna gelijk aan die van 1756.

Ten eerste moesten de vorsten, op Flores overwegend radja's, erkennen dat hun rijk deel uitmaakte van Nederlands-Indië en dat zij zich stelden onder de soevereiniteit van het gouvernement. Daarnaast moesten zij de resident van Timor en Onderhorig­heden erkennen als vertegenwoordiger van de gouverneur-generaal. Zij moesten beloven geen vreemden in hun gebied toe te laten zonder toestemming van het gouvernement. Daarnaast mochten ze geen verdragen sluiten met buiten­landse mogendheden en onderlinge geschillen tussen radja's of stammen moesten aan het oordeel van de resident onderwor­pen worden. Daar stond tegen­over dat het gouvernement zich niet zou mengen in hun binnen­land­se aangelegen­he­den. Ook gold er een streng verbod op slavernij, slaven­handel en pirate­rij. Dit waren de belang­rijkste bepalingen uit die contracten.[xviii]

Bij het aantreden van een nieuwe radja werd een door de regering gesanctio­neerde akte van bevestiging uitgereikt waarna de radja zwoer alle hem door de resident gegeven bevelen te zullen opvolgen. De radja werd aan het eind van de ceremonie voorzien van een rotting met gouden of zilveren knop waarin het Nederlandse wapen was gegra­veerd­.[xix]

Oppervlakkig beschouwd was de positie van de resident en zijn ambte­naren scherp afgebakend. De aftredende resident van Timor, H.C. Hume klaagde in 1875 echter dat dit bedrieglijk was.[xx] Zo mocht de onthou­dingspolitiek verbro­ken worden als de omstandighe­den erom vroegen. Dit moest dan wel op eigen inzicht van de resident gebeu­ren. Als een resident besloot zich te mengen in een geschil tussen twee radja's dan gebeurde het dikwijls dat het gouvernement zijn voortvarendheid afkeurde. Als er daarentegen iets gebeurde omdat de resi­dent niet tussen beiden was gekomen dan kon hij ook op een repri­mande van het gouvernement rekenen.[xxi]

Naast deze problemen waren de radja's en hoofden van Flores vaak wars van de bemoeienissen van Nederlandse bestuursambtenaren. Volgens Hume waren er in Endeh veel hoofden die zich niet aan het Nederlandse gezag stoorden.[xxii] Als de resident van Timor een inlands hoofd ont­bood dan kon het voorkomen dat hij niet kwam opdagen. In 1877 schreef een anoniem auteur in het Tijd­schrift voor Nederlandsch-Indië: 'In elk ander gewest wordt zo'n weigering beschouwd als opposi­tie en wordt het bestraft. Alleen in Timor schijnt een zodanige weigering niet straf­baar te zijn.'[xxiii] In 1885 schreef ex-resi­dent Riedel dat de Nederlands-Indische regering haar, sedert de laatste jaren verloren aanzien diende te hervinden. 'Daarom moesten ze breken met het onge­lukkige stelsel van toege­vendheid dat door de vorsten en volkeren in de Timor archipel werd aangemerkt en bespot als een bewijs van zwakheid.'[xxiv]

Wat deed de Resident dan wel? Volgens de contracten was hij gerech­tigd op te treden tegen gevallen van slavernij en slavenhandel. Endeh was van oudsher een plek waar veel slavenhandel plaats vond. In 1877 was één op de vier inwoners een slaaf. Ofschoon de slaven in het algemeen goed werden behandeld konden de Nederlandse ambtenaren weinig aan hun lot doen.[xxv]

Aan de slavenhandel kon wel wat worden gedaan, hoewel de residenten jaren­lang klaagden dat ze niet in staat waren iets aan de slavenhan­del te doen omdat ze geen stoomboot tot hun beschikking hadden.[xxvi] Toen in 1877 in de baai van Endeh permanent een boot werd gesta­tio­neerd om de slavenhandel tegen te gaan had dat effect. Pas in 1882 werd er voor het eerst weer melding gemaakt van slavenhandel. Daarna kwam het nog sporadisch voor.[xxvii]

Een andere methode om de slavenhandel tegen te gaan was een verbod op de handel in kruid en vuurwapens. Kruid en vuurwapens dienden voorna­melijk als ruilmiddel bij de mensenhandel. Daarnaast werden ze ook gebruikt bij onderlin­ge vijandigheden en de daarmee gepaardgaande mensenroof.[xxviii]

Endeh bleek trouwens toch al een gevaarlijke plaats door de veelvul­dig voorko­mende conflicten tussen strand-, en bergbewoners. In 1896 moest de posthou­der, samen met twee andere Europeanen, zich verdedi­gen tegen een aanval van driehonderd berg-Endehnezen. Na dit voorval werden er dertien gewapende politiedienaren naar Endeh gezonden en werd er tijdelijk een gewapende adviesboot gestationeerd.[xxix]

In de onderafdeling Zuid-Flores vonden ook de mislukte tin-expedities van 1889 en 1890 plaats. In december 1889 landde aan de zuidkust van Flores in de Aimerebaai een mijnbouwkundige expeditie onder ingenieur Van Schelle. Al bijna een halve eeuw lang bestond er het gerucht dat er in de binnenlanden van Flores tin-erts aanwezig zou zijn. Van Schel­le's expeditie waar ook de civiel-gezaghebber Kleian en de posthou­der van Endeh, de heer Brugman, deel van uit maakten, moest helderheid in deze zaak verschaffen. De expeditie had weinig resul­taat. Tengevolge van de vijandige houding van de bevolking moesten ze overhaast vluchten zonder de vermeende tin-streken bereikt te heb­ben.[xxx]

Het onderzoek werd in maart 1890, onder militaire dekking, hervat met als nevendoel de aanvallers van de vorige expeditie te bestraf­fen. De aanhoudende vijandige houding van de bevolking dwong tot een geleide­lijke ver­sterking van de troepenmacht. Samen met de soldaten van een tweede expeditie, die vanaf de noordkust het binnenland in trok, waren er uiteindelijk meer dan duizend soldaten op Flores aanwezig. Beide expedi­ties mislukten, waarna de soldaten onverrichter zake, eind 1890, naar Java terugkeerden. De legendarische tinmij­nen hebben ze nooit kunnen vinden.[xxxi]

Wanneer de resident van Timor en Onderhorig­heden een stoomschip tot zijn be­schikking had, dan bezocht hij de kustplaatsen van Flores. Dit vlagvertoon zou een heilzame schrik verwekken en de Nederlandse invloed doen toenemen in de zelfbesturen­de landschappen. Vooral voor het ophouden van het Nederlandse prestige vonden de residenten van Timor en Onderhorigheden het wenselijk het eiland te bezoeken.[xxxii]

In het Koloniaal Verslag van 1871 werd vermeld dat het Nederlandse gezag meer en meer gewaardeerd werd en dat de radja's er steeds sneller toe over gingen de tussenkomst van het Nederlandse bestuur in te roepen om hun onderlinge geschillen te beslechten.[xxxiii] Daarentegen werd er vier jaar later in het Koloniaal Verslag geklaagd, dat de loyaliteit van de radja's aan het Europe­se bestuur slechts in naam bestond.[xxxiv]


4.4  Infrastructurele ontwikkelingen

Toen P.J. Veth in 1855 in het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië een artikel aan Flores wijdde was er over dat eiland nog weinig bekend. Tot op dat moment was er, voor zover hij wist, nog geen Europeaan tot het binnenland doorgedrongen. De kennis van Flores beperkte zich tot de kust.[xxxv] De Neder­land­se zeemacht in Oost-Indië was in die tijd druk doende de kust en de wateren rondom Flores in kaart te brengen.[xxxvi]

Twintig jaar later was deze situatie nauwelijks gewijzigd. De civiel-gezag­hebber van Larantoeka en de posthouder van Endeh kwamen nauwe­lijks buiten hun standplaatsen en de resident van Timor bezocht alleen de kustplaatsen. Naast deze personen waren er, op een aantal roomska­tholieke geestelijken na, vrijwel geen andere Europea­nen op Flores aanwezig.

In 1875 maakte civiel-gezaghebber E.F. Kleian een voetreis over het oostelijk deel van het eiland. Hij bezocht toen kampongs waar tot dan toe nog nooit een Europeaan was geweest. In kampong Akó, midden op het eiland, had men zelfs nog nooit van de compagnie gehoord. Bij een bezoek aan de radja van Paga, aan de zuidkust, bleek Kleian de eerste Europeaan sinds mensenheugenis die deze plaats bezocht. Wel bleek er in Paga een kerkje te zijn.[xxxvii] In dat­zelfde jaar schreef resident H.C. Hume dat de binnen­landen van Flores nog duister waren en dat men er bijna niets van wist.[xxxviii] Tot 1902 veran­derde er maar weinig aan deze situatie.

Tot die tijd waren er op Flores geen verharde wegen. De inheemse bevolking maakte gebruik van bospaden, terwijl de Europese ambtenaren het liefst boten gebruikten om op een plaats van bestemming te komen.

Scheepvaartverkeer was de enige verbinding met de buitenwereld. De inheemse bevolking bevoer prauwen waarmee ze langs de kusten en naar dichtbij gelegen eilanden voeren. De Endehnezen onderhielden een levendige scheepvaartverbin­ding met Soemba. Hun prauwen kwamen zelfs tot aan Singapore.[xxxix] Twee keer per jaar deed een Makassaar­se vloot de kust van Flores aan om inlandse produkten te kopen. Het aantal prauwen dat in de jaren zestig van de vorige eeuw de kampong Glitting op de noordkust van Flores aandeed, was gemiddeld vijfen­veertig, waarvan de meeste van Makassaarse en Bimase afkomst wa­ren.[xl]

De wateren rond Flores werden veel doorkruist door schepen van de Neder­lands-Indische marine. Zij waakten tegen slavenhandel en zeero­ve­rij. Soms werd een kustplaatsje, waarvan de inwoners verdacht werden van zeeroverij, getuch­tigd. Rond het midden van de 19e eeuw ging er bijna geen jaar voorbij of er werd wel een kustkampong op Flores beschoten.[xli]

De resident van Timor en Onderhorigheden had tot 1883 geen eigen gouverne­mentsstomer tot zijn beschikking.[xlii] Tot dat jaar moest hij zich behelpen met drie bewapende prauwen. Hierdoor was hij sterk afhanke­lijk van weer en wind, en kon hij soms zes maanden lang geen dienst­reis maken.[xliii] De gouverne­ments­ambtenaren op Flores bleven in zulke periodes verstokt van contact met de buitenwereld.

In 1874 werd de Timor archipel één keer per maand aangedaan door een lijn­dienst van de Nederlandsch-Indische Stoomvaart Maatschappij, de zogeheten Molukken lijn. Deze lijn deed alleen Koepang op Timor aan.[xliv]

Toen pastoor Heijnen in 1875 Flores bezocht, klaagde hij erover dat het eiland zo moeilijk te bereiken was. Van Batavia naar Makassar of Koepang varen lukte nog wel maar vanaf die plaatsen kon je Flores alleen per prauw bereiken. De reis van Makassar naar Flores, met een tussen­stop in Bima, had hem twee en een halve dag gekost. Als Neder­land de beschaving in de Indische archipel wilde bevorderen dan moest volgens hem de geregelde stoomvaart uitgebreid worden.[xlv]

Hij werd, wat Flores betreft, op zijn wenken bediend want nog geen jaar later werd Larantoeka opgenomen in de dienstregeling van de Molukken­lijn. Vanaf 1876 werd de plaats eens in de twee maanden aangedaan.[xlvi] In 1883 kreeg de Timor archipel haar eigen lijndienst, de maandelijkse Timorlijn. Maoemere op Flores' noordkust werd ook in deze lijndienst opgenomen. De ene maand voer de boot van Koepang via Larantoe­ka en Maoemere naar Bima en de andere maand ging het anders om.[xlvii] In het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw werd Endeh ook in die lijndienst opgenomen.[xlviii]



4.5  Economische ontwikkelingen

De economische betekenis van de Timor archipel was in de 19e eeuw niet bijzonder groot. De residentie Timor en Onderhorighe­den was tussen 1839 en 1852 goed voor 0.65% van de inkomsten van alle Buiten­gewesten.[xlix]

De economische betekenis van Flores was nog geringer. Gedurende de gehele 19e eeuw had geen enkel Europees bedrijf zich op Flores gevestigd. De enige Europeaan die particulier initiatief toonde was een kleinhandelaar die zich in 1886 in Endeh vestigde alwaar hij handel dreef met de inheemse bevolking.[l]

Het gouvernement heeft in de 19e eeuw geprobeerd enkele landbouwcul­tu­ren op Flores te stimuleren. In 1871 werden er in Larantoeka koffiezaden uitgegeven, die met behulp van de roomskatholieke missie aldaar werden aangeplant.[li] Maar dit pasoeroea-zaad bleek het niet erg goed te doen. In 1877 werden nieuwe koffiezaden uit Dilly ver­strekt maar door droogte, slechte gronden en een onkundige behan­deling van de struiken mislukte dit experiment. Daarbij kwam dat de koffiecul­tuur in de ogen van de plaatselijke bevolking 'pamali', dat wil zeggen niet geoorloofd, was. Het kwam daardoor nogal eens voor dat de nieuwe aanplant werd vernield.[lii] In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw plantte men in Oost-Flores opnieuw koffie­plantjes maar de bevol­king bleef er afkerig van. In 1894 bleek de koffiecul­tuur op Flores nog weinig voor te stellen.[liii]

De tabakscultuur deed het, vooral in de omgeving van Maoemere, beter. Een pikol tabak (1 pikol is ongeveer 61,7 kg) van Flores leverde op de markt van Makassar zes gulden op.[liv] Later in die eeuw werd de tabakscultuur, onder leiding van roomska­tholieke geestelij­ken, uitgebreid. Toch bleef de opbrengst op Flores in verhouding tot de andere Buitengewesten klein. Hetzelfde gold voor de export van katoen, die als cultuur tussen de kokospalmen werd ver­bouwd.

Flores was erg rijk aan kokosbomen. Vooral het plaatsje Endeh stond bekend om het grote aantal 'klapperbomen' die daar groeiden. Jaar­lijks werd deze cultuur op Flores uitgebreid. In 1886 werd er 55.530 kg copra, het gedroogde binnenkiemwit van de kokosnoot, naar Makassar uitgevoerd.[lv] In 1891 werd er 740.400 kg copra verscheept. Door nieuwe aanplant bleef de uitvoer tot 1900 groeien. Toch was die uitvoer in vergelijking met bijvoor­beeld het eiland Bali niet zo geweldig groot. Daar werd allen al in 1888, 2.591.400 kg copra geëxpor­teerd­.[lvi]

De uitvoer van bosprodukten bestond voornamelijk uit kaneel, sandel­hout, aardvruchten, rijst, katoen, tabak, klappers, vogelnestjes en andere bosproduk­ten.[lvii]

 

4.6  Ontwikkelingen op godsdienstig- en onderwijsgebied

Dat het Nederlandse parlement er vijf jaar over had gedaan om uitein­delijk in 1859 het traktaat met Portugal te ratificeren, kwam omdat artikel tien van het traktaat in strijd was met de Nederland­se grondwet. Volgens dit artikel moest de vrije uitoefening van de katholieke godsdienst op Flores gewaarborgd blijven.[lviii] Toen in 1859 dit probleem was opgelost zond de roomskatholieke kerk direct een pastoor, de eerwaarde heer J.P.N Sanders, die in 1860 in Larantoeka arriveerde.[lix]

Flores was al in de Portugese tijd, voor een deel, gekerstend. Rond het midden van de vorige eeuw woonden het merendeel van de inheemse christenen van Flores in het gebied van de radja van Larantoeka, op Solor en in het gebied rond Maoemere. In 1874 werd hun aantal op 10.755 geschat.[lx] Flores was toen verdeeld in twee statiën, de statie Larantoeka en de statie Maoemere.

Na de komst van Sanders volgden de pastoors elkaar snel op. Tussen 1860 en 1875 waren er acht geestelijken op het eiland werkzaam geweest. In 1879 werd in Larantoeka een klooster voor Franciskaner nonnen opgericht waar ook inlandse vrouwen werden opgeleid. Daar was al, sinds 1872, een school voor jongens aanwezig. Deze werd door de geestelijken zelf bekostigd en zou tot de eeuwwisseling de enige school op Flores blijven.

De geestelijken probeerden de kinderen in het Maleis lezen en schrij­ven te leren. Dit werd hun door de ouders, die hun kinderen bij de dagelijk­se arbeid niet konden missen, bemoeilijkt. Om hen tegemoet te komen gaven de geestelij­ken de kinderen kost, inwo­ning en kleding, maar wanneer zij van alles waren voorzien kwam het niet zelden voor dat zij door hun ouders van school werden genomen.[lxi]

Het gouvernement wilde graag dat de zonen van de radja's een gedegen Europese opleiding zouden krijgen, waardoor er later wellicht beter met de zelfbesturende vorsten kon worden samengewerkt. Zo bezocht de zoon van de Radja van Rokka de inlandse school te Koepang.[lxii]  

Naast de christenen waren er ook een groot aantal islamieten op Flores, vooral in Manggarai en in de omgeving van Endeh. Daar stonden de Hadji's (Mekka-gangers) in groot aan zien. In de 19e eeuw breidde de islam zich nauwelijks uit op het eiland. Het totaal aantal moslims werd in 1890 op 40.000 geschat. De overige bevol­king, vooral de bergbewo­ners, was animistisch.

 

4.7  Ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied

Onder andere naar aanleiding van geruchten dat er op Flores tin-erts aanwezig zou zijn, werd op verzoek van het gouvernement door het Koninklijk Neder­landsch Aard­rijkskundig Genootschap een wetenschappe­lijke expeditie naar Flores georganiseerd. Het gouvernement verleende aan de KNAG in 1888 en daarna nog eens in 1889 een subsidie van Fl.10.000,- voor de onder­zoekingen op Flores.[lxiii]

Voor dit geld stuurden zij de Amsterdamse etnoloog en bioloog Max Weber en de Utrechtse geoloog Arthur Wichman naar het eiland. Een jaar later in 1889 werden zij gevolgd door de mijnbouwkundige inge­nieur en topograaf Van den Broek. In 1890 werd door het gouvernement nog eens Fl. 5.000,- uitgetrokken voor het onderzoek van de antropo­loog Ten Kate, onder voorwaarde dat een gedeelte van dat geld zou worden aangewend voor het verzamelen van etnogra­fische en natuurhis­torische voorwerpen voor de musea in Nederland.[lxiv]

Zo kocht Ten Kate tijdens zijn onderzoek op Flores twee Rokka-sche­dels, die bij de laatste expeditie naar het tingebied door een 'voor­vechter' waren ge­sneld.[lxv] Tijdens een onder­zoek op Oost-Flores onder­zocht hij 62 volwassenen en 425 inheemse kinderen.[lxvi] Ook verbeterde hij de kaart die professor Wich­man, tijdens zijn expeditie een jaar daarvoor, had getekend.

Wichman had overigens veel kustplaatsen aangedaan en een groot aantal tochten op Flores gemaakt. Hiervan deed hij verslag in het tijd­schrift van de KNAG samen met een aantal zelf getekende illustra­ties.[lxvii] Deze wetenschappelijke expedities hebben ervoor gezorgd dat er een aantal publikaties over het eiland werden geschreven en dat er voorwerpen uit Flores werden tentoongesteld in de Nederlandse musea, waardoor het eiland Flores bekend werd bij een groter publiek.

 

4.8  Ontwikkelingen in het belastingstelsel

Er werd in de 19e eeuw op Flores door het gouvernement geen algemeen hoofdelijke belasting geheven. De radja's waren voor hun inkomsten voorname­lijk afhankelijk van de opbrengst van boeten. Het Nederlandse bestuur heeft lang geprobeerd de radja's te overtuigen het boetesys­teem te vervangen voor een meer rechtmatige vorm van belastinghef­fing.[lxviii]

In 1902 was, na vijf jaar onderhandelen, het gouvernement met de radja van Larantoeka overeengekomen dat het Nederlandse bestuur in zijn gebied belastin­gen mocht heffen. De reeds bestaande belastingen werden tegen schadeloosstel­ling van de radja overgenomen. Nadat de radja van Larantoeka de verklaring had ondertekend volgden de andere radja's van Flores.[lxix] Dit was het begin van een grotere bestuursbe­moei­enis van het gouvernement met op eiland Flores.



[i].        Fasseur, 'Een koloniale paradox', 163.

[ii].       S. Dietrich, 'Flores in the ninetheenth century: Aspects of Dutch colonia­lism on a non-provitable island', Indonesia Circle 31 (1983) 39-58, aldaar 39.

[iii].      Memorie van Overgave (MvO) van de assistent-resident van de afdeling Flores De Vries 1910, Algemeen Rijksarchief Den Haag (ARA), Collectie Le Roux, Inv. nr. 2197, f. 2.

[iv].      S. Dietrich, Kolonialismus und Mission, 2.

[v].       'Schets van onze staatkundige verhouding tot de tot de verschillende radja's en volkstammen in de Residentie Timor', Tijdschrift voor Neder­landsch-Indië 6/I (1877) 321-344, aldaar 328-329.

[vi].      J.G.F. Riedel, 'Timor en Onderhoorigheden in 1878 en later', De Indi­sche Gids 7/I (1885) 1-12, aldaar 4-5.

[vii].     Kniphorst, 'Een terugblik', 124-126.

[viii].     Heynen, 'Het rijk Larantoeka', 13.

[ix].      Koloniaal Verslag 1865, 21.

[x].       Koloniaal Verslag 1871, 304.

[xi].       Kniphorst, 'Een terugblik', 321-322.

[xii].     F.C. Heyenen, 'Het Christendom op het eiland Flores in Nederlandsch-Indië', Studiën op Godsdienstig, Weten­schappelijk en Letterkundig Gebied 7 (1876) 100-200, aldaar 165-166.

[xiii].     Kniphorst, 'Een terugblik', 328.

[xiv].     Koloniaal Verslag 1878, 82.

[xv].      Koloniaal Verslag 1879, 24 en Koloniaal Verslag 1880, 83.

[xvi].     Paulus, Encyclopaedie, 281.

[xvii].    'Schets van onze', 321.

[xviii].   Ibidem, 322-323.

[xix].     Ibidem, 324.

[xx].     MvO van de resident van Timor H.C. Hume 1875, ARA, Archief Minis­terie van Koloniën (MMK), inv. nr. 336, f. 10.

[xxi].     'Schets van onze', 330.

[xxii].    ARA, Archief MMK, inv. nr. 336, f. 12.

[xxiii].   'Schets van onze', 330.

[xxiv].   Riedel, 'Timor en Onderhoorigheden', 11.

[xxv].   S. Roos, 'Iets over Endeh', Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Letterkunde 24 (1877) 481-582, aldaar 498.

[xxvi].   Koloniaal Verslag 1861, 20 en Koloniaal Verslag 1870, 12-13.

[xxvii]Koloniaal Verslag 1877, 38.

[xxviii].  Ibidem.

[xxix].   Koloniaal Verslag 1896, 34.

[xxx].    P. Jobse, De tin-expedities naar Flores, 1887-1891 (Utrecht 1880) 20-25.

[xxxi].   Ibidem, 26-44.

[xxxii].  MvO van de resident van Timor C.M.G.A.M. Economa Verstege 1878, ARA, Archief MMK, Inv. nr. 337, f. 7.

[xxxiii]Koloniaal Verslag 1871, 254.

[xxxiv]. Koloniaal Verslag 1878, 35.

[xxxv].  Veth, 'Het eiland Flores' 156.

[xxxvi]. Koloniaal Verslag 1852, 31.

[xxxvii]. E.F.Kleian, 'Eene voetreis over het oostelijk deel van het eiland Flores', Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde 34 (1891) 485-532, aldaar 490-531.

[xxxviii].          ARA, Archief MMK, inv. nr. 336, f. 1-12.

[xxxix]. M.A. Bouwman, 'Uit Flores', Indologenblad 8 (1916\17) 112-114.

[xl].      J.N. Vosmaer, 'Kort berigt omtrent Geliting (Noord­kust van Flores)', Tijdschrift voor de Indische Taal-, land- en Volkenkunde 11 (1862) 147-154, aldaar 152.

[xli].     Koloniaal Verslag 1850-Koloniaal Verslag 1860.

[xlii].     Koloniaal Verslag 1883, 49.

[xliii].    'Schets van onze', 152.

[xliv].    Kniphorst, 'Een terugblik', 199.

[xlv].     Heynen, 'Het rijk Larantoeka', 14

[xlvi].    Koloniaal Verslag 1877, 37-38.

[xlvii].   Kniphorst, 'Een terugblik', 201.

[xlviii].   Campo, Koninklijke Parketvaart Maatschappij, 697-699.

[xlix].    Dietrich, 'Flores in the 19e', 39.

[l].        Koloniaal Verslag 1886, 191.

[li].        Koloniaal Verslag 1871, 443.

[lii].       Koloniaal Verslag 1878, 208.

[liii].      Koloniaal Verslag 1894, 234.

[liv].      Vosmaer, 'Kort bericht', 149-152.

[lv].       Koloniaal Verslag 1886, 191.

[lvi].      Koloniaal Verslag 1890, 226.

[lvii].     A. Tissot van Patot, ' Kort overzicht van de gebeur­tenissen op Flores en enige gegevens betreffende dat eiland', Indisch Militair Tijdschrift 38 (1907) 762-777, aldaar 764-777.

[lviii].    Kniphorst, 'Een terugblik', 421.

[lix].      Heynen, 'Het Christendom', 67.

[lx].       Ibidem.

[lxi].     J.M. Kluppel, 'De Solor eilanden', Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde 20 (1873) 378-398, aldaar 383.

[lxii].     Koloniaal Verslag 1875, 26.

[lxiii].    Koloniaal Verslag 1889, 123.

[lxiv].    Koloniaal Verslag 1890, 107-108.

[lxv].    H.F.C. ten Kate, 'Wetenschappelijke reis ... naar het eiland Flores', Tijdschrift van het Koninklijk Neder­landsch Aardrijkskundig Genootschap 2e reeks 8 (1991) 330-331, 401-402, 517-518, 681-682, 748-751, 827-829, 953-954; TAG 2e r. 9 (1892) 70-71, aldaar 517-518.

[lxvi].    Ten Kate, 'Wetenschappelijke reis ...' 681-682.

[lxvii].   A. Wichmann, 'Bericht über eine im 1888-1889 im auftrage der Nie­derländi­schen Geographischen Gezellschaft ausgefürte reise nach dem Indischen Archi­pel. III Flo­res', Tijdschrift van het Koninklijk Neder­landsch Aard­rijkskun­dig Genootschap 2e reeks 8 II (1891) 188-293, aldaar 188-293.

[lxviii].   Koloniaal Verslag 1870, 12-13.

[lxix].    Koloniaal Verslag 1903, 101-106.




HOOFDSTUK 5     DE PACIFICATIE VAN FLORES 1902-1920

5.1  Inleiding

Het begin van de 20e eeuw werd in Nederlands-Indië gekenmerkt door de opkomst van de ethische richting. Dit politieke denken was ondermeer ontstaan uit een soort schuldbesef. Nederland had de bevolking van Indië, via het zogenaamde 'batig slot', jarenlang uitgebuit, nu was het aan Nederland om iets terug te doen. De ethische-politiek was, volgens E. Locher-Scholten, erop ge­richt de gehele Indonesische archi­pel onder Nederlands gezag te brengen en land en volk te ontwik­kelen in de richting van zelfbe­stuur onder Neder­landse leiding en naar westers model.[i]

Een onderdeel van die ethische politiek was een op de inheemse bevolking gericht welvaartsbeleid. Via scholing, medische hulp en economische projecten probeerde men de bevolking te ontwikkelen en haar welvaart te vergroten. Daarnaast wilden de ethici de inheemse bevolking bevrijden van het juk van haar eigen despotische overheer­sers.[ii]

Om dit programma te kunnen uitvoeren moest het gouvernement in de hele archipel een directe heerschappij invoeren. Een onderdeel van de ethische politiek die daar­voor zorgde was het ethisch imperialisme, de uitbreiding van het koloniaal gezag over de Buitengewesten. De grootste uitbreiding vond plaats onder oud Atjeh-strijder gouverneur-generaal Van Heutsz die overigens zelf geen voorstander was van de ethische politiek.[iii] Tijdens zijn ambtster­mijn als gouverneur-gene­raal, tussen oktober 1904 en decem­ber 1909, is ook op Flores een begin gemaakt met de uitvoering van de ethische beginselen.

 

5.2  De gebeurtenissen tot 1907

Met de opvolging van resident Vijzelaar door resident Heckler in 1902, begon een nieuwe periode voor de residentie Timor en Onderho­righeden. Heckler had de opdracht gekregen orde op zaken te stellen in het, door de onthoudingspoli­tiek in prestige erop achteruitgegaan­de, gewest. Geheel in lijn met de ethische politiek moest hij de willekeur van de vorsten en de onderdrukking van de inheemse bevol­king tegengaan.[iv]

Als eerste zou de positie van de radja's moeten worden veranderd. Enerzijds probeerde het gouvernement de autonomie van de radja's te verkleinen door hun een nieuwe verklaring te laten afleggen waarin zij verplicht werden gesteld alle bevelen van het gouvernement op te volgen. Hierdoor zouden de radja's tot bruikbare werktuigen van het gouvernement omgevormd worden. Anderzijds moest de macht van de radja's ten opzichte van hun onderdanen versterkt worden zodat zij zelf rust en orde in hun landschap konden scheppen. Hoe groter de macht van de radja des te goedkoper de handhaving van rust en orde zou zijn.[v]

Om dit programma te kunnen verwezenlijken moest Heckler eerst paal en perk stellen aan de willekeur en de 'ongehoorzaamheid' van de rad­ja's. Als eerste werd de machtigste en lastigste radja van Flores, de radja van Larantoeka, aangepakt. In 1902 werd hij min of meer gedwon­gen een verklaring te tekenen waarin hij ten gunste van het gouverne­ment afstand deed van de belastinghef­fing in zijn land­schap. Dit was echter niet genoeg voor het gouvernement. Het werd hem ook verplicht gesteld binnenlandse aangelegenheden en rechtszaken van betekenis in overleg met de hoofden en de civiel-gezaghebber af te hande­len.[vi] De resident dacht zo de sluwste radja onderworpen te hebben. Maar dat viel tegen.

De radja bleef onwillig en weigerde het Nederlandse oppergezag te erkennen. Telkens wanneer de resident per boot Larantoeka aan deed, vluchtte de radja met zijn gevolg de bergen in en namen de strandbe­wo­ners een vijandige houding aan. Zijn gestook in een opstand van een kampong tegen de radja van Adanaro was de druppel die de emmer deed overlopen. In juni 1905 werd hij gedwongen een bezoek te brengen aan de resident die met zijn gouvernements­stomer voor de kust van Laran­toeka lag. Op de boot aangekomen werd de radja uit zijn waardig­heid ontzet, waarna een ander lid van het Larantoe­ka's radja's geslacht tijdig met het radjaschap werd belast. De afgezette radja werd in Djokjakarta geïnterneerd.[vii]

Ook in het bergland van Sikka was het onrustig. Het berghoofd Teka was in opstand gekomen tegen de radja van Sikka. Deze laatste, hoewel gesteund door de radja van Nita, bleek niet tegen het berghoofd opgewassen te zijn. Toen Teka de missieposten van Sikka en Leila bedreigde, was voor het gouvernement de maat vol. In juni 1904 werd er onder leiding van de resident een politie­macht naar Maoemere gezon­den. Na een aantal schermutselingen werd Teka gevangen genomen en door de raad van radja's te Maoemere veroordeeld tot dwangarbeid buiten het gewest.[viii]

In de onderafdeling Zuid-Flores was het altijd al onrustig geweest. De radja van Endeh had buiten de hoofdplaats nooit veel gezag gehad, maar met het aantre­den van een nieuwe radja in 1895 was de situatie nog meer verslechterd. Steeds meer hoofden kwamen tegen zijn gezag in opstand en in het achter Endeh liggende bergland werd het steeds onrustiger. In 1904 zag de resident zich genoodzaakt, nadat de posthouder en de radja door kampongbewoners van de Nangabaai waren beschoten, een militaire landing in die baai te organiseren. Tijdens deze actie werden de vijandige kampongs getuchtigd en de bewoners beboet.[ix]

Toch bleef het onrustig in de omgeving van Endeh. Toen in 1907 Endeh twee keer door bergstammen werd overvallen en in brand gesto­ken, achtte de resident de tijd rijp voor een grote militaire actie op Flores.

 

5.3  De tocht van kapitein Christoffel

In juni 1905 werd J.F.A. van Rooij de nieuwe resident van Timor en Onderho­righeden. Ook hij had van het gouvernement nieuwe richtlijnen gekregen over hoe dit gewest moest worden bestuurd. Hij kreeg de opdracht overal in de residentie het Nederlandse gezag krachtig te vestigen. Hiervoor had hij van de gouverneur-generaal de bevoegdheid gekregen zelfstan­dig, naar gelang van behoefte, over de militaire macht in zijn gewest te beschikken. Daarnaast waren er nieuwe richt­lijnen voor de verhouding tussen het bestuur en de zelfbesturen­de landschap­pen.[x] De financiële situatie van de zelfbesturende land­schappen moest periodiek worden gecontroleerd en de hoofden moesten voor de verbete­ring en uitbreiding van het wegennet zorgen. Tevens had hij de opdracht de mijnbouw­rechten op Flores te regelen.[xi]

De bestuursbemoeienissen hadden zich tot dusver niet verder ge­strekt dan de standplaatsen van de bestuursambtenaren. Van Rooij bracht hierin verandering. Hij moedigde ambtenaren aan meer te gaan reizen. Posthouders, die weigerden dienstreizen te maken, werden ontslagen.

In 1906 werd er op Flores voor het eerst een controleur van het Binnenlands Bestuur aangesteld. Tegelijkertijd werd Flores her-ingedeeld in twee afdelingen, Oost- en West-Flores. Oost-Flores werd onder het gezag van de nieuw aange­stelde controleur, de heer Cou­vreur, geplaatst.[xii]  Hij moest voor een direc­ter bestuursinvloed zorgen ter voorbereiding van andere maatregelen die tot doel hadden Flores produktief te maken voor de schatkist.[xiii]

In opdracht van gouverneur-generaal Van Heutsz had kapitein Colijn in 1906, de residentie Timor en Onderhorigheden, waaronder Flores, be­zocht. Met resident Van Rooij had hij afspraken gemaakt over de te nemen administratieve maatrege­len en de toekomstige militaire acties voor de pacificatie van Flores. Nadat de binnenlanden van Timor en Soemba in 1905 en 1906 waren gepacifi­ceerd, was nu Flores aan de beurt.[xiv]

Controleur Couvreur was ondertussen druk doende het binnenland van Flores in kaart te brengen. Zijn indruk van Flores was overwegend negatief. Hij had op zijn reizen door het binnenland weinig hulp van de inheemse bevolking gekre­gen en sommige kampongs hadden hem 'onhof­felijk' ontvangen. Tot overmaat van ramp werd het hem in Tongga verhinderd verder te reizen. Voordat hij daar iets aan kon doen kwam het bericht dat Endeh in de nacht van 3 op 4 juni 1907 was overval­len.[xv] Hoewel de resident voor midden-juni al een militaire onder­ne­ming op Flores had gepland kwam deze overval voor het gouvernement niet ongelegen. De overval was mooie aanleiding om het onrustige Flores voor eens en voor altijd te pacificeren. Daarom stelde het gouvernement ter­stond een compagnie Marechaussees ter beschikking onder de vermaarde vecht-kapitein Christoffel.[xvi] Voordat hij aankwam waren, zes dagen na de overval, op 14 juli 1907, de resident en dertig gewapende politie dienaren en een detachement soldaten onder leiding van luitenant De Vries al ter plaatse. Zij herstelden de rust in de omgeving van Endeh. Daarna werd er gewacht op versterking uit Java om de rest van het eiland te pacifice­ren. Op 9 augustus arri­veerde kapitein Chri­stoffel met zijn compagnie marechaus­sees te Endeh. Hij had de opdracht gekregen overal op Flores het verzet te breken en de hoofden van het eiland de Korte Verklaring te laten tekenen.[xvii]

Volgens de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië: '...vloog Christof­fel tussen 9 augustus 1907 en 1 maart 1908 als een wervelwind het weinig bekende binnenland van Flores door, van Oost naar West, van Noord naar Zuid, alles nederwerpend wat zich verzette, ook in de streek waar de tin-expeditie van 1890 échec had geleden.'[xviii]

Het resultaat van zijn tocht was honderden doden onder de inheemse bevolking van Flores en ettelijke verbrande kampongs. Op 1 maart 1908 gaf hij, omdat zijn diensten weer te Atjeh nodig waren, het commando over aan kapitein P.J. Struijt. Christoffel liet meer een getuchtigd dan een gepacificeerd eiland achter waar het nog lang onrustig bleef.[xix]

 

5.4  Flores tussen 1908 en 1920

Kapitein Struijt werd na het vertrek van Christoffel ook belast met het civiel-gezag over Oost-Flores en Endeh terwijl West-Flores onder controleur Cou­vreur werd gebracht, die tevens de chef over heel Flores werd.[xx] In 1909 werd Flores heringedeeld in vijf onderafdelin­gen, Oost-Flores en de Solor-eilanden, Maoe­mere, Endeh, Ngada en Manggarai.[xxi] Omdat de pacificatie na het vertrek van Chri­stoffel nog niet was voltooid bleef er een compagnie marechaussees op Flores. Zij onderworpen de overgebleven gebieden en de Solor-eilan­den. In 1909 was de pacifica­tie voltooid waarna de troepenmacht geleidelijk vervan­gen werd door een gewapende politie­macht.

Na de onderwerping werd een aanvang gemaakt met de registratie van de bevol­king. Vanaf dat moment waren zij belastingplichtig aan het gouvernement. Daarnaast moesten zij herendiensten verlenen die vooral ingezet werden bij de aanleg van wegen. Ook moest de bevolking hun wapens inleveren bij de beambten van het gouvernement.

Na 1910 laaide het verzet op Flores weer op. Naast het verzet tegen de boven­genoemde maatregelen waren volgens resident Maier ook de vexaties door de hoofden hier debet aan. Daarnaast was er volgens hem een algemene onwil van de bevolking om zich in 'een geregelde gang van zaken te schikken'.[xxii] De opstandige periode heeft zo'n tien jaar geduurd. In 1920 waren de laatste verzetshaarden gedoofd en was de algehele pacificatie van Flores voltooid.



[i].        E. Locher-Scholten, Ethiek in Fragmenten. Vijf stu­dies over koloniaal denken en doen van Nederlanders in de Indonesische archipel (Utrecht 1981) 120-150.

[ii].       Goor, De Nederlandse Koloniën, 260-280.

[iii].      Locher-Scholten, Ethiek in Fragmenten, 120-160.

[iv].      Dietrich, Kolonialismus und Mission, 5-6.

[v].       Ibidem, 6.

[vi].      Koloniaal Verslag 1903, 101-106.

[vii].     Koloniaal Verslag 1905, 76-80.

[viii].     H.B. en W.B.O., 'Onlusten op Flores in 1904 en 1905', Indisch Militair Tijdschrift 36 (1905) 917-994, 1149-1152, aldaar 971-975.

[ix].      H.B. en W.B.O., 'Onlusten op Flores', 983-987.

[x].       MvO van de resident van Timor J.F.A. van Rooy 1908, Archief MMK, inv. nr. 339, f. 1-4.

[xi].      Dietrich, Kolonialismus und Mission, 7.

[xii].     Koloniaal Verslag 1906, 124.

[xiii].     ARA, Archief MMK, inv. nr. 339, f. 13.

[xiv].    Dietrich, 'Kolonialismus und Mission', 7-8.

[xv].     ARA, Archief MMK, inv. nr. 339, f. 13-15.

[xvi].    Dietrich, Kolonialismus und Mission, 10.

[xvii].    'een expeditie naar Flores', De Indische Gids 29 II (1907) 1412-1413, 1849-1851, aldaar 1849-1851.

[xviii].   Paulus, Encyclopaedie, 718.

[xix].    P. van Hulstijn, Van Heutsz en de Buitengewesten ('s-Gravenhage 1926) 134.

[xx].     ARA, Archief MMK, inv. nr. 339, f. 13-16.

[xxi].    MvO van de resident van Timor C.H. van Rietschoten 1913, ARA, Archief MMK, inv. nr. 340, f. 7.

[xxii].    MvO van de resident van Timor E.G.Th. Maier 1918, ARA, Archief MMK, inv. nr. 341, f. 13.




HOOFDSTUK 6     FLORES TIJDENS HET INTERBELLUM

6.1  Inleiding

Rond 1920 was de afdeling Flores geheel gepacificeerd. Zelfs in de laatste verzetsstreken op de nabij gelegen eilanden Lomblem en Adonara was het rustig geworden. Nederlandse bestuurders konden nu, zonder militaire begeleiding, over het eiland reizen en hoefden niet meer bang te zijn voor een vijandige bevol­king. Een zeer gewelddadige pacifi­catie en enkele jaren patrouilleren en opstand­jes onder­drukken hadden hun vruchten afgeworpen.

Direct na de tocht van kapitein Christoffel begon het bestuur met een aantal reorganisaties en met de invoering van een aantal nieuwe maatregelen. Be­stuurs­ambtenaar M.A. Bouwman vatte in 1916 dit pro­gramma als volgt samen:

          'Op Flores worden de zo kort geleden inge­voerde registratie, belastingen en heren­diensten reeds overal met grote nauwgezetheid doorgevoerd. Het inlands bestuur dat voor onze bemoeienis een niet uit te zoeken warboel was, werd georgani­seerd, kleinere landschappen werden tot enkele grote verenigd, radja­schap­pen werden ingesteld en districtsbestuur ingevoerd, de kampong­hoofden moesten tot bruikbare werktuigen van ons gezag worden opgeleid. Wegen werden aange­legd, bruggen geslagen, scholen gebouwd, rotskam­pongs werden van hun ongenaakbare toppen afgehaald en met hun bij-kampongs tot grotere dorpen in de vlakte verzameld, het pasarwe­zen moest ingang vinden bij de bevolking, ons muntstelsel werd ingevoerd. In 1907 waren olifantstanden het meest gangbare betaalmid­del. Ruil­handel was nog algemeen. Thans neemt zelfs de bergbevol­king gaarne roepia's aan en ook de 1 en 2 1/2 cent stukken zijn al een ver­trouwd betaal­mid­del.'[i] 

Hoewel deze maatregelen in 1916 nog niet voltooid waren deed Bouwman het voorkomen of ze al waren uitgevoerd.

In de 19e eeuw was de residentie Timor en Onderhorigheden een lasten­post geweest. Ondanks dat be­stuursambtenaar C. Lulofs in 1911 voor­spelde dat binnen enkele jaren de hele residentie Timor het gouver­nement geen cent meer zou kosten, moest het gouvernement in 1918 nog Fl. 157.­000,- toeleggen op de afdeling Flores (zonder de Mangga­rai).[ii] Toch voorzag in 1913 de resi­dent van Timor en Onder­ho­righeden, C.H. van Rietscho­ten, gunstige economi­sche vooruit­zichten voor zijn gewest.[iii] 

Niets leek een voorspoedi­ge ontwik­keling van de Timor archipel, inclusief Flores, in de weg te staan. De economi­sche wereldcrisis van de jaren dertig, die was ontstaan na de beurs­krach van 1929, gooide echter roet in het eten. De economie van Flores, die voor een groot deel afhanke­lijk was van de ontwikke­lingen op de wereldmarkt, werd hierdoor zwaar getroffen. De welvaartsverho­gende maatregelen die het Nederlandse bestuur in de jaren twintig had doorge­voerd, werden hierdoor afgeremd en soms zelfs teruggedraaid. Toen bestuurs­ambte­naar J.J. Hangelbroek in 1938 Flores bezocht, was er volgens hem vergele­ken met de 19e eeuw nog niet zoveel veranderd. Het enige effect van de invoering van het Nederlandse gezag was, volgens hem, de opname van Flores in het Nederlands-Indische staatss­ysteem.[iv] Het bevol­kingsaan­tal steeg geduren­de de eerste helft van deze eeuw echter spectaculair. In 1922 werd het aantal inwoners op 361.000 geschat. Na een algemene volks­telling in 1930 bleken er 716.165 mensen op Flores te wonen.

 

6.2  Bestuurlijke ontwikkelingen

In 1907 werd de afdeling Flores opgedeeld in twee onderafdelingen, West- en Oost-Flores. Tegelijkertijd werd het militaire gezag met het bestuurlijk gezag verenigd. Deze maatregelen waren ingevoerd om Flores tijdens het pacificatie-proces te besturen. Al in 1909 werd deze tijdelijke splitsing ongedaan gemaakt en werd Flores heringe­deeld in vijf onderafdelingen: Endeh, Larantoeka en de Solor-eilan­den, Maoemere, Ngada en de Manggarai.[v]

Aan het hoofd van de afdeling Flores kwam een assistent-resident. Zijn stand­plaats werd Endeh die tevens de hoofdplaats van Flores werd. Met deze keuze werd het op de uiterste oostpunt van Flores gelegen Larantoeka, dat van oudsher het bestuurlij­ke centrum van Flores was geweest, gepasseerd.

In 1914 werd de afdeling Flores heringe­deeld in zeven onderafdelin­gen: Noord-West Manggarai, Zuid-Oost Manggarai, Ngada, Endeh, Oost-Flores, Lomblem en Andonara en tot slot de onderafdeling Maoemere.

Deze laatste had een controleur als chef terwijl de andere een civiel-gezagheb­ber als chef hadden.[vi] Dat deze opdeling niet voldeed bleek uit de laatste herin­de­ling in 1924. Toen werd de afdeling weer heringe­deeld naar het model van 1909 met als wijziging dat de onder­afdeling Ngada grondge­bied moest afstaan aan de onderafdeling Mangga­rai en dat het eiland Alor, dat op een afstand van 170 kilometer ten oosten van Flores lag, als onderafdeling bij de afdeling Flores werd gevoegd. Resident Couvreur had deze vermindering van onderafdelingen noodza­kelijk geacht omdat de indeling van 1914 onderafdelingen had gescha­pen die etnografisch, economisch en politiek geen eenheid waren.[vii]

In 1933, tijdens de economische crisis, werd uit bezuinigings­overwe­ging de onderafdeling Maoemere bij de onderafdeling Oost-Flores en de Solor-eilanden ingedeeld. Dit gebeurde pas nadat de afdelings­chef van Maoemere wegens ziekte met verlof naar Europa was gegaan. In 1937, toen de economische toestand iets was verbeterd, werd deze samenvoe­ging ongedaan gemaakt.

In 1929 werd de Manggarai officieel afgescheiden van het Sultanaat Bima. In 1909 werd Soembawa, met het daarop gelegen sultanaat Bima, en dus ook de Manggarai, officieel aan de residentie Timor en Onder­horigheden toegevoegd. Vanaf dat moment was het gouvernement met de sultan van Bima in onderhan­deling over de bovengenoemde afschei­ding. In 1913 had de sultan het bestuur van de Manggarai officieel overge­dra­gen aan de zogenaam­de 'radja Naib' (plaatsvervanger van de sultan in de Mangga­rai), alhoewel het gouverne­ment de voorkeur gaf aan de zoon van de sultan als radja van de Manggarai.[viii] In 1917 werd de Manggarai van Bima afgeschei­den als afzon­der­lijk zelfbe­sturend landschap onder een lid van het sultansge­slacht van Bima. De sultan van Bima kreeg vanaf dat moment geen inkomsten meer uit de Manggarai. Toen de sultan in 1929 offi­cieel was afgekocht werd toch de zoon van de laatste 'radja Naib', Alexander Baroek, de nieuwe radja in de plaats van de zoon van de sultan van Bima. Deze laatste was een moslim terwijl Alexander Baroek, die de schakel­school te Koepang had bezocht, christen was. Het Nederlandse bestuur leek het verstandi­ger om in dit nieuwe missie gebied een christelijke zelfbestuurder te plaatsen waardoor onnodige proble­men met de missie voorkomen konden worden.[ix]

Toen de afdeling Flores in 1909 werd heringedeeld in 5 onderafdelin­gen moesten er ook vijf onderafdelings-chefs worden geplaatst. Omdat het Binnen­lands Bestuur, na de expansie periode onder Van Heutsz, met een personeelste­kort kampte waren er voor deze posities niet genoeg controleurs beschikbaar. Direct na de pacificatie van 1907 werden daarom officieren uit het Indische leger als civiel-gezaghebbers, later kortweg gezaghebbers genoemd, ingescha­keld in het bestuur. Voor 1907 was dit ook gebeurd, maar tijdens het gouver­neur-generaal­schap van Van Heutsz (1904-1909) werd er onder officieren zelfs reclame voor gemaakt.[x] Aanvankelijk, toen het nog onrustig was op Flores, was het gouvernement nogal ingenomen met de officier-gezag­hebbers. Officie­ren waren daad­krachtige personen die op hun taak berekend waren, in tegen­stelling tot de oude, uit het klerken­perso­neel gere­cruteerde civiel-gezagheb­bers.[xi] Later kwam er toch kritiek op de officier-gezaghebbers. Resident P.F.J. Karthaus klaagde in 1931 dat de officieren hun onderafdelingen besturen alsof ze een brigade besturen.[xii] Geleidelijk zouden de civiel-gezag­hebbers vervan­gen moeten worden door opgeleide be­stuurs­ambtena­ren. In 1916 was er nog maar één controleur op Flores en zes civiel-gezaghebbers en in 1927 waren alle onderaf­delings-chefs controleurs.

Een standplaats in de, ver van Batavia gelegen, Timor archipel was niet erg populair bij bestuursambtenaren. Het gemis aan comfort en gezelligheid, het gemis aan goede woningen en gemeen­schapsmiddelen en de hoge financiële lasten zorgden er voor dat de bestuursambte­naren in de Timor archipel vrijwel elk middel aangrepen om ergens anders geplaatst te worden.[xiii] Toen bestuurs­amb­te­naar M.A. Bouwman voor het eerst hoorde dat zijn nieuwe standplaats Flores zou wor­den, vonden zijn vrienden dat niet leuk voor hem.[xiv] Een redac­teur van het blad Onze Aarde noemde Endeh de eenzaamste post van de 'Grote Oost'. De enige afleiding voor de bestuursambtena­ren waren volgens hem de tennis­baan en een biljarttafel in de soos.[xv]

Na de pacificatie van 1907 bleef er een compagnie van elf brigades soldaten achter op Flores. Ook na 1920, toen het over het algemeen vrij rustig was, bleven deze brigades op Flores en werd de leger­sterk­te zelfs uitgebreid tot vijfentwintig brigades.[xvi] Deze sterkte hing samen met de functie van het leger als politiemacht. Het gouver­ne­ment had in 1923 nieuwe richtlijnen uitgegeven waarin politiedien­sten, welke tot de taak van de veldpolitie behoorden, aan militaire detache­menten werden overgedragen.[xvii] Niet iedere resident was hier even blij mee. Resident Karthaus vond het leger als 'politiemiddel' niet ideaal. Als bewaarders van rust en orde had het leger voldaan maar een militair optreden was in dit gewest niet meer nodig. Daarom achtte hij de tijd gekomen voor een ander 'politiemiddel'.[xviii] Na 1933 werden de militairen geleidelijk vervangen door de veldpolitie. Nu waren het de onderafdelings-chefs die minder blij waren, want zij moesten de veldpolitie uit hun eigen landschapskas betalen, terwijl het leger door 'Batavia' werd betaald. In 1938 was het aantal leger­brigades op Flores teruggebracht tot negen terwijl de veldpolitie­macht 226 'karbijndragenden' en 13 kaderleden telde.[xix]

 

6.3  Ontwikkelingen in de inheemse machtsstructuur

Rond 1900 telde Flores een zestal, door het gouvernement erkende, radja's waarvan de belangrijkste de radja van Larantoeka, de radja van Endeh en de 'radja Naib' van de Manggarai waren. Na 1907 werd het inheemse bestuur op Flores heringe­deeld in een groot aantal zelfbe­sturende landschappen met een radja als zelfbestuurder. Afgelegen gebieden in het binnenland die tot dan toe geen eenheid waren geweest werden samengevoegd en onder leiding gesteld van een radja. Zo'n radja werd uit de voor­naamsten van het land gekozen, waarbij persoon­lijke prestige meer dan de door hem beklede ambten de door­slag gaven.[xx] Zo waren er in 1918 negentien zelfbesturende landschap­pen ge­vormd.[xxi]

Al vrij snel bleken er teveel landschappen te zijn. Het grote aantal zelfbestuur­ders gaf in de praktijk aanleiding tot allerlei moeilijk­he­den. Het 'gehalte' van sommige radja's was volgens het gouvernement te laag en het grote aantal radja's was een drukkende post op de begroting.[xxii] Daarnaast waren sommige landschappen van een zodanige omvang dat ze te dicht stonden op de lagere rechtsgemeenschappen, de districten.[xxiii] Daarom werd er door het bestuur op Flores besloten een aantal landschappen samen te voegen. Uiteindelijk waren in 1932 negen zelfbesturende landschappen over: de Manggarai, Ngada, NageKeo, Rioeng, Endeh, Lio, Sikka, Larantoeka en Adonara.[xxiv]

De landschappen op Flores waren onderverdeeld in districten. Aan het hoofd van een district, ook wel gemeente genoemd, stond een distric­tshoofd. In de meeste gebieden werden de districtshoofden kapitans genoemd, behalve in Oost-Flores en de Manggarai, waar ze respectieve­lijk Kakangs en Daloe's werden genoemd. In deze gebieden liet het bestuur de districten samenvallen met de oudere Kakang- en Daloe- organisatievormen. In de rest van Flores heeft het bestuur ook geprobeerd de distric­ten te laten samen­vallen met oude rechtsge­meen­schappen. Bestuursamb­tenaren werden op onderzoek uitgestuurd naar het binnen­land om de oude rechtsgemeen­schappen te achter­halen. Maar bij de vorming van deze districten stuitte het bestuur op hetzelfde pro­bleem als bij de vorming van de zelfbesturende land­schappen: er waren teveel distric­ten. Er waren zelfs districten gevormd die maar uit negentien mannen bestonden.[xxv] Daarom werd, vooral ook uit econo­misch oogpunt, een groot aantal districten samengevoegd.

De districten waren onderverdeeld in kampongs. Aan het hoofd van een kampong stond een kamponghoofd, de kepala kampong. De taken van de kamponghoofden en districtshoofden bestonden onder andere uit het helpen van de radja bij de inning van de belastingen en de organisa­tie van de herendien­sten. Kleine vergrijpen werden door hen gestraft en zij moesten zorgen voor rust en orde in de dorpen.[xxvi] 

Met het instellen van de zelfbesturen wilde het gouverne­ment laten zien dat zijn machtsexpan­sie geen annexatie en veroveringspolitiek was geweest.[xxvii] Daar­naast waren zelfbesturen in vergelijking met direct ­bestuurde gebieden goedko­per omdat er minder be­stuurs­amb­te­naren nodig waren. In het midden van de jaren twintig van deze eeuw waren er niet meer dan tien Europese bestuursamb­tenaren op Flores.[xxviii]

De verhouding tussen de koloniale staat en de zelfbesturende land­schappen waren vastgelegd in de Korte Verklaring. Dit document gaf het gouvernement het recht in te grijpen in de interne aangelegenhe­den van de landschappen. Bestuursambtenaren hadden hierdoor de volle handelingsvrijheid zonder formeel de baas te zijn, waardoor het soms leek of de radja's marionetten van het Neder­landse bestuur waren, in plaats van werkelijke zelfbestuurders.[xxix] Men kan zich afvra­gen in hoever­re deze zelfbe­sturen qua bestuur afweken van de direct bestuur­de gebieden. In 1918 was er, volgens resident Maier, van daad­werke­lijk bestuur door de radja's nog geen sprake. De uiterst primitieve maatschappelijke toestand van de landschappen, de gebrek­kige ontwik­keling van de radja's en de betrekkelijke korte Nederland­se bestuurs­bemoeienis op Flores waren hier volgens hem debet aan.[xxx] Nog in 1931 klaagde resident Karthaus dat de onder­af­delings-chefs in zijn gewest bijna alles zelf moesten doen als gevolg van de 'lage kwaliteit' van de zelfbestuurders.[xxxi]

In verhouding tot de 19e eeuw, toen de adat de vorst dwong zich te onthouden van directe bestuursbemoeienissen in zijn landschap, was althans op papier, de macht van de radja's onder het Nederlandse bestuur toegeno­men. Een van zijn nieuwe taken was er voor te zorgen dat de belastin­gen in zijn landschap op tijd binnen kwamen. Daarnaast moest hij er onder andere voor zorgen dat de landschapskas goed werd beheerd en de herendiensten geregeld werden. De zelfbestuurder nam ook zitting in het landschapsgerecht. Hierin werd hij bijgestaan door een aantal notabele hoofden uit het landschap en een Nederland­se be­stuursambte­naar. In het landschapsge­recht, waar alleen kleine zaken voorkwamen, werd recht gesproken overeenkomstig de geldende adat van de streek voor zover die niet in strijd was met de algemeen door het Nederland­se bestuur erkende beginselen van billijkheid en rechtvaar­digheid.[xxxii] Over de zwaardere delicten werd recht gesproken in de Raad van Landshoof­den, ook wel de Rapat genoemd. De onderafdelings-chef was hiervan de voorzitter, en de radja's uit de onderaf­deling waren de leden van de rechtbank. In de Rapat van Oost-Flores en de Solor-eilanden werd in 1930 vierenveertig keer rechtgespro­ken. Zesentwintig zaken gingen over moord, negen zaken gingen over dood­slag en de rest van de zaken gingen over mishandelingen en vechtpar­tijen. In andere jaren kwam ongeveer eenzelfde aantal zaken voor, maar vergeleken met de andere onderafdelingen was het in Oost-Flores wel erg onrustig.[xxxiii]

Alle belastingen die geheven werden in een landschap vloeiden in de land­schapskas. Uit deze kas werden de zelfbe­stuurder, de districts­hoofden en het andere landschapspersoneel betaald. Zij ontvingen tussen de Fl. 150,- en Fl. 5,- per maand al naar gelang het gewicht van hun betrekking. Ook de middelen ter ontwikkeling van het land werden uit die kas betaald. Ten slotte was er in de land­schapskas een restitutie post gereserveerd voor de uitgaven die de staat in het belang van het landschap had gemaakt zoals de kosten voor het Binnen­lands Bestuur, de politie, het gezondheids­wezen en de scholing.[xxxiv] Door dit systeem was de uitbreiding van het Nederlandse bestuur op Flores voor het gouverne­ment betaalbaar geworden.

De landschapskassen op Flores waren tussen 1923 en 1937 verenigd in de afde­lingskas van Flores en de kas van de Manggarai. Deze samenvoe­ging van kassen moest het 'gemeenschappelijke belang' van Flores dienen, maar sinds de oprichting van de afdelings­kassen was er kritiek op de oneerlijke verdeling van de gelden. De rijkere land­schappen moesten, omdat de landschapskassen waren samengevoegd, opdraaien voor de schulden van de minder rijke land­schappen. Resident Karthaus waarschuwde in 1931 het gouvernement voor deze ontwikke­ling: 'Het combineren van de kassen met als doel met het ene landschap een armer gebied te finan­cieren is als een onbillijk aangevoeld.'[xxxv] Het gevaar voor opstan­den was volgens hem levensgroot aanwezig en daarom achtte hij het beter om Flores op te delen in kasgebie­den die werke­lijke gemeenschappelijke belangen hadden.

Tot 1929 ging het goed met de afdelingskassen en konden er zelfs reservepotjes worden gevormd. Tussen 1925 en 1928 hield men respec­tievelijk, Fl.22.000,-, Fl.500,-, Fl.3500,- en Fl.20.000,- over op de begro­ting van de kas van Flores. Na de crisis van 1929 werd de toestand nijpender, als gevolg van de malaise liepen de opbrengsten van de belastingen terug, waardoor er grote tekorten ontstonden. De ontvangsten van de afdelingskas van Flores liepen voor de helft terug, terwijl de resti­tutiepost gelijk bleef waardoor het gouverne­ment genoodzaakt was steeds vaker met subsidies bij te springen. In 1935 waren die tot een ton per jaar opgelo­pen.[xxxvi] De rijkere landschap­pen kregen daarnaast steeds meer het gevoel dat zij voor de kosten van de arme landschap­pen moesten opdraaien. Uitein­de­lijk werden de kassen van Flores in 1937 herin­gedeeld in vier onder­afde­lingskas­sen, die van de Manggarai, Ngada, Endeh en Oost-Flores en de Solor-eilan­den en één landschaps­kas, die van Sikka. De kas van Sikka was de enige die niet armlastig was.[xxxvii]

 

6.4  Ontwikkelingen op kampongniveau

Direct na de pacificatie werd de inheemse bevolking van Flores ontwapend en geregistreerd. Uit angst voor eventuele opstanden werden toen ook de, voor militaire patrouilles moeilijk bereikbare, op rotspunten gelegen kampongs ontmanteld en in lager gelegen gebieden herbouwd. Daarnaast werden in sommige gebieden, volgens de kampong­concentratieregeling, kleine ver van elkaar liggende kampongs samen­gevoegd en langs de nieuw aan te leggen wegen herbouwd. Deze kampong­concen­tratieregelingen waren uitgevaardigd om de inning van belastin­gen, de opsporing van misdadi­gers en de contro­le op heren­diensten te vergemakkelijken.[xxxviii] Na 1920 vonden deze 'kampongvor­mingen' niet zoveel meer plaats.

Volgens resident De Nijs Bik kon de 'kampong­vor­ming' beter niet onder dwang plaatsvinden omdat de bevolking, ten gevolge van haar landbouw­methodes, eeuwenlang verspreid had ge­woond. Voor het dagelijkse voedsel was de bevol­king afhankelijk van de la­dangs, een soort gemeenschappelijke akker, waar alleen in het regenseizoen produkten op verbouwd konden wor­den. Zolang de produktie van de ladangs niet konden worden ver­hoogd kon er volgens hem geen sprake zijn van kampong­concentra­tie.[xxxix]

De ladangs werden verkregen door het leeg kappen en plat branden van een stukje bos. Als na een aantal jaren de grond van de ladang was uitgeput werd er weer een nieuw stukje grond ontgonnen. Deze methode veroor­zaakte grote ontbos­sing. Het gouvernement probeerde deze kwalijke ontwikke­ling door middel van reservering, afbake­ning en herbebossing tegen te gaan. Op Flores had het bestuur hiervoor sinds 1925 een bosopzichter in dienst­.[xl]

De voornaamste gewassen die op de ladangs werden verbouwd waren padi (rijst) en djagoen (maïs). Er was onder de bevolking een voortdu­rende angst voor misoogsten. Op Oost- en Midden-Flores heerste een bijna continue toestand van voedselschaarste. Om hierin verbete­ring te brengen stelde het Nederlandse bestuur op Flores voor om een land­bouwconsu­len­ten aan te stellen. Het gouver­nement weigerde echter dit verzoek in te willigen. Pas toen de Manggarai in 1929 werd getroffen door een misoogst, en het gouvernement voor extra voedsel moest zorgen, was de regering bereid een consulent van de 'Landbouw Voor­lichtings Dienst' (L.V.D.) aan te stellen.[xli]

De L.V.D. propageerde de aanleg van individuele vaste tuinen in plaats van gemeenschap­pelijke ladangs. Hierdoor zou een groot gedeel­te van de grond worden ge­spaard. In Endeh schreef de L.V.D. een terras­seeringswed­strijd uit om de aanleg van tuinen op terrassen te stimu­le­ren en zo de erosie, die door de ontbos­sing was ontstaan, tegen te gaan.[xlii] Ook werden er proeven genomen ter verbetering van de bevol­kings­culturen en werden er zaadtuinen aange­legd. Daarnaast stimuleer­de de L.V.D. de verbouw van exportproduk­ten.[xliii] De op­brengsten hiervan zouden de bevolking het muntgeld moeten ople­ve­ren waarmee zij hun belas­tingen konden betalen.

Sinds 1911 werd er op Flores een zogenaamde inkomsten- en bedrijfsbe­lasting geheven. In de praktijk kwam het er op neer dat de belasting­plichtigen, dat wil zeggen de mannelijke hoofden van de huishoudens, 4% van hun jaarlijks inkomen aan belasting moesten betalen bij een minimum inkomen van Fl. 50,- per jaar. Omdat niet iedereen een vast inkomen had werd er na 1918 ook belasting op bezit geheven, de zogenaamde personeelsbelasting. De opbrengst van deze belastingen kwam terecht in de landschapskas.

Jonge mensen begonnen met het betalen van Fl. 2,- per jaar. Daarna verschilde de gemiddelde belastingheffing per landschap. Zo lag de gemiddelde belasting in het rijke landschap Lio tussen de Fl. 4,80 en Fl. 5,60 per jaar terwijl in Ngada tussen de Fl. 4,00 en Fl. 4,80 betaald werd. Dit was tamelijk veel in vergelijking met het ten oosten van Flores gelegen eiland Alor. Daar werd per jaar tussen de Fl. 2,80 en Fl. 3,20 per jaar aan belasting op bedrijfs- en andere inkom­sten gehe­ven.

Naast bovengenoemde belastingen waren er nog de vrijwil­lige school­bijdrage die in wezen verplicht was en het 'betelgeld'. Deze laatste belas­ting, á Fl. 0,50 per jaar, werd betaald ter bezoldiging van de districts- en kamponghoofden. Ook werden er indirecte belastingen, zoals de slachtbelasting, geheven.

Tijdens de malaise jaren, na de crisis van 1929, werd het voor de inheemse bevolking steeds moeilijker om de belastingen te betalen. De bevolking van Flores was voor haar geldvoorziening vrijwel geheel afhankelijk van de export van bepaalde produkten zoals copra, een produkt dat gemaakt word van kokos­noten. Deze produkten waren tijdens de crisis voor de helft in prijs ge­daald. De belastingopbrengsten liepen daardoor ook met de helft terug.[xliv] Daarom ont­stond er op Flores een groot tekort aan geld waardoor de bevolking genood­zaakt was oude munten en zilveren siera­den te verkopen om aan hun belas­tingplicht te voldoen. Hierdoor verviel de inheemse bevolking van Flores uit een 'geldhuis­houding' in een 'produktenhuishouden'. De ruilhandel, die eigenlijk nooit was verdwenen, werd weer heel nor­maal. Pas na 1936, d­oor een opleving van de economie, liepen de belastingopbreng­sten weer wat op.

Naast het betalen van belastingen moest de bevolking van Flores ook werken voor het gouvernement. Deze zogenaamde herendien­sten waren feodale over­blijfselen uit vroegere tijden. Toen moest de bevol­king verplicht een aantal dagen per jaar werken voor de radja. Dit heette 'kema rodi' wat letterlijk vertaald bevolen arbeid betekent. De Nederlands-Indische regering had dit instituut overgenomen waarna het 'kema kompeni' werd genoemd.[xlv] Het gouverne­ment was van mening dat in geldarme streken, zoals Flores, waar de belastingop­brengsten zeer laag waren, belasting in arbeid erg belang­rijk was voor de ontwikke­ling van het land.

Er werden gemiddeld veertig dagdiensten per persoon per jaar ge­vraagd. Deze werden onderverdeeld in acht dagdiensten voor de gemeen­te en tweeëndertig dagdiensten voor gouvernementsprojecten. De herendiensten werden voorname­lijk ingezet bij de bouw, het onderhoud en de reparatie van wegen en de bouw van bruggen, dammen en pieren. Vooral na de regentijd, als de wegen op Flores vrijwel onbegaanbaar waren geworden, werden er veel herendiensten geheven.

Het was mogelijk om de herendiensten af te kopen. Voor 1932 kostte het afkopen Fl 7,50 per jaar. Na 1932 werd de afkoopsom bepaald op Fl 6,-. In 1931 waren er op de 135.000 heren­dienstplichtigen van Flores slechts 983 afkopers.

Het Nederlandse bestuur was er veel aan gelegen de hygiënische en gezond­heidstoestand van de inheemse bevolking van Flores te verbete­ren. In de 19e eeuw werd het eiland vaak geteisterd door besmettelij­ke ziekten, die zich mede door de slechte hygiënische toestanden, makke­lijk konden verspreiden. De meest voorkomende ziekten waren: dysente­rie, malaria, lepra, geslachtsziekten, tuberculose, framboesia tropica, ankylostomiasis, scabies en filariasis.[xlvi] Al in de 19e eeuw had het bestuur geprobeerd een aantal van deze ziekten door middel van vaccinaties te bestrijden. In de 20e eeuw werden deze vaccinaties uitgebreid en werden er andere maatregelen genomen om de gezondheids­toestand van de bevolking te verbeteren.

In 1912 begon men met de bouw van een ziekenhuis in Endeh. Toen deze af was werden er ook ziekenhuizen in Larantoeka en Roeteng gebouwd. Daar­naast werden er een aantal poliklinieken gebouwd die eens in de zoveel tijd door één van de twee officieren van gezondheid op Flores werden bezocht. Naast deze twee officieren van gezondheid, te Laran­toeka en Endeh, was er in Maoemere nog een missie-arts. Dit waren de enige drie gediplomeerde dokters die in de jaren dertig voor de meer dan zevenhonderd­duizend Florinezen beschikbaar waren. Hoewel het aantal bezoeken aan de ziekenhuizen en poliklinieken steeg kon een groot gedeelte van de zieken van Flores niet worden bereikt omdat zij te ver van de ziekenhuizen af woonden, of omdat zij niet bekend waren met het bestaan van deze voorzieningen. Daarom werden de artsen vanaf 1934 gestimu­leerd zoveel mogelijk in de hun aangewezen gebieden rond te reizen.[xlvii] [xlviii]

 

6.5  Economische ontwikkelingen

Hoewel resident E.G.Th. Maier in 1918 de economische situatie van Flores over het algemeen gunstig vond, moest er volgens hem toch nog veel gebeuren. De landbouw werd extensief bedreven en was alleen op eigen consumptie gericht. Er was vrijwel geen veeteelt en de handel en scheepvaart waren, volgens Maier: 'slechts voor vreemde ooster­lingen van belang'. Tot slot merkte hij op dat er tot dan toe vrijwel geen vreemd kapitaal was binnen geko­men.[xlix] Ook de voor­uitzich­ten op het gebied van de mijnbouw waren slecht. Direct na de pacificatie was in 1910 door Dr. Pannekoek van Rheden een mijnbouw­kundig-geologisch onderzoek uitge­voerd dat niets had opgeleverd.[l] Daarom was het eiland voor zijn economische ontwikke­ling geheel afhankelijk van de landbouw.

Om de komst van westerse landbouwondernemingen naar Flores te stimu­leren had het gouvernement in 1915 het in Nederland gevormde 'syndi­caat ter bevordering van de katoencultuur op Flores' een subsidie van Fl. 30.000,- toegekend. In datzelfde jaar had het syndicaat de land­bouw­con­cessie Nanga Hale in de buurt van Maoemere in exploitatie geno­men, w­aar tussen koko­spal­men katoen werd verbouwd. Het lag in de bedoe­ling dit katoen samen met de opgekocht bevolkingskatoen te verwer­ken in een, door het syndicaat in Maoe­mere gebouwde, fabriek. Om zich van genoeg katoen te verzekeren had het syndicaat een monopo­lie op de opkoop van bevolkingskatoen gevraagd maar dit was door het gouverne­ment geweigerd. Eind 1917 werden alle rechten en plich­ten van het syndi­caat aan de naamloze vennootschap 'Amsterdam-Soenda-Compag­nie' verkocht.[li] Deze vennootschap verwachtte veel van het bevol­kingska­toen. Gestimuleerd door de hoge katoenprijzen tijdens de eerste wereld­oorlog bouwden zij voor Fl. 50.000,- een tweede katoenver­wer­kingsfa­briek in Endeh. De bevol­kingskatoenproduktie bleef echter achter bij de verwachtingen en de katoenprijzen daalden na de­ oorlog. Het vennootschap zag zich daarom genoodzaakt financiële hulp te vragen bij de Indische regering. Het gouverne­ment weiger­de de ven­nootschap een subsidie toe te kennen waarna het failliet werd ver­klaard. Dit was de enige poging van het 'groot kapitaal' om in Flores te investeren. Na deze mislukte poging was Flores voor zijn economi­sche ontwikkeling op de inheemse landbouw aangewezen.[lii]

Al in de 19e eeuw had het gouvernement door het gratis verstrekken van zaden, de verbouw van exportculturen zoals koffie en tabak onder de inheemse bevol­king gestimuleerd. Na de pacificatie ging het bestuur, geholpen door de katho­lieke missie, hier mee door. Vooral katoen werd, zoals in de vorige alinea bleek, als het produkt van de toe­komst gezien. Daarom werd in 1912 te Maoemere een Europese ambte­naar geplaatst, die zich speciaal op de verbrei­ding van uitheemse katoen­soorten zou toeleggen. In 1913 legde hij voor de verschillende katoensoorten een aantal proeftuinen aan. De proeftuinen leverden in de daaropvolgen­de jaren een bevredigende oogst op, maar de inheemse bevolking waagde zich er nog niet aan dit gewas grootschalig te verbouwen. Toen, in het midden van de jaren twintig, de katoencultuur getroffen werd door de acadelli­denplaag, was alle aanplant binnen enkele maanden ver­woest. De grote plannen die het bestuur met de katoencultuur had gehad waren daarna helemaal verdwenen.[liii]

Naast de katoencultuur werd ook de koffiecultuur door het bestuur onder de bevolking van Flores, vooral in de Manggarai en Ngada, gepropagandeerd via de aanleg van proeftuinen en de uitgifte van koffie­zaden. Hoewel deze cultuur niet zo groots werd aangepakt als de katoencul­tuur sloeg het beter aan. Eind jaren twintig werd er jaar­lijks ongeveer 10.000 kg koffie geëxporteerd.[liv] Toch bleef de in­heem­se bevol­king de koffie voornamelijk voor eigen ge­bruik ver­bouwen.

De uitvoer van bosprodukten leverde meer op. Pinangnoten, kemirino­ten, vogelnestjes, indigo, bijenwas, kaneel, tamarinde en sandel­hout waren op de markt van Makassar geliefde waren. De uitvoer van deze produk­ten steeg jaarlijks. Het grootste exportpro­dukt was echter copra. In de 19e eeuw stond Flores al bekend als het 'klapper­eiland'. In de 20e eeuw werd deze cultuur, vooral in de buurt van Endeh en Maoemere, met succes uitgebreid. Hierdoor steeg de uitvoer van copra jaarlijks. In 1912 werd er 1.403.243 kg copra uitgevoerd. In 1927 was de uitvoer van dit produkt gestegen naar 5.685.443 kg het geen een totale waarde van Fl. 1.370.500,- vertegenwoordigde. In het topjaar 1928 werd er zelfs voor Fl. 2.129.500,- aan copra geëxpor­teerd, waarmee copra meer dan 60% van de totale export van Flores voor haar rekening nam.[lv] Hoe afhan­kelijk het eiland van de export van copra was, bleek tijdens de crisis van de jaren dertig toen de prijs van dit produkt sterk was gedaald. In 1933 werd er slechts voor Fl. 468.252,- aan copra ge­xpor­teerd.[lvi]

Het copraverhaal kan model staan voor alle exportprodukten van Flores. Tijdens de crisis daalden deze produkten sterk in prijs, waardoor de exportcij­fers van Flores ook fors daalden. In de jaren twintig was de totale export sterk gestegen. In 1926 werd er nog voor meer dan Fl. 2.600.000,- uitgevoerd. In 1930 was dat cijfer tot Fl. 1.7­00.­000,- gedaald en in 1933 werd er voor nauwe­lijks een Fl. 500.000,- aan produkten geëxpor­teerd.[lvii] Per hoofd van de bevol­king daalde de uit­voer in 1931 van Fl. 1,50 naar Fl. 0,81 in 1933. Vergele­ken met het eiland Soembawa is dit cijfer erg laag. Daar werd in 1931 en 1933 respec­tievelijk voor Fl. 3,77 en Fl. 1,77 per hoofd van de bevolking geëxporteerd.[lviii] Pas aan het eind van de jaren dertig gaat het econo­misch weer wat beter met Flores. In 1937 werd er weer voor Fl. 2.298­.3­77,- geëxporteerd.[lix]

Toen het in de jaren twintig economisch goed ging met Flores steeg de import ook sterk. Naast rijst en andere etenswaren werden er vooral manufacturen en garens geïmporteerd. Maar ook welvaartsprodukten als automobielen en grammofonen vonden hun weg naar het eiland.[lx] In 1929 werd er voor Fl. 1.474.170,- geïmporteerd. Tijdens de crisis daalde dit cijfer. In 1931 en 1933 werd er respectievelijk voor Fl. 980.000,- en Fl. 644.400,- ingevoerd. Hiermee daalde de import minder snel dan de export. Het in/export saldo per hoofd van de bevolking was in 1931 nog Fl. 0,32 en in 1932 slechts -Fl. 0,18. Hierdoor ontstond er op Flores een gebrek aan geld, waardoor de belas­tingen niet meer konden worden betaald en waardoor de bevolking terugviel naar de zogenaamde 'prod­uk­tie huis­houdens'.[lxi] Pas aan het eind van de jaren dertig, als het econo­misch weer wat beter gaat, is er weer geld beschikbaar om goederen naar Flores te impor­teren.

 

6.6  Infrastructurele ontwikkelingen

In de 19e eeuw was de Timor archipel één van de meest afgelegen gebieden van Nederlands-Indië. Omdat er weinig bootverbindingen met dit gebied waren was het altijd erg moeilijk geweest Flores te bezoeken. Aan het eind van de 19e eeuw deed de Timorlijn van de K.P.M. twee keer per maand de havens van Larantoeka, Maoemere en Endeh aan. In 1913 werd besloten deze lijn uit te breiden waardoor meer havens van Flores door K.P.M.-boten bezocht konden worden. Daarvoor werden in de havens van Endeh, Aimere, Laboean Radja, Reo, Maoemere en Larantoeka lange pieren aangelegd waaraan de schepen konden laden en lossen.[lxii] Uiteindelijk voeren er in de jaren twintig en dertig drie K.P.M.-lijnen op de Timor archipel waarvan er twee Flores aandeden. Lijn 24 vertrok om de twee weken van Makassar, waarna het via Flores Koepang bezocht en lijn 25 was een maandelijkse dienst die de Timor archipel vanuit Java bereikte. De inheemse bevolking van Flores was niet onverdeeld ingeno­men met de K.P.M- lijnen. De hoge vervoerskosten vormden een belemme­ring voor de handel. Daarom lieten ze hun waren liever vervoe­ren door Boeginese en Makassaarse prauwen.[lxiii]

In 1913 kon de assistent-resident van Flores twee weken per maand be­schikken over een gouver­nementsstomer. Daarnaast waren er twee motorbootjes op het eiland gestationeerd waarmee de onderafdelings-­chefs de nabijge­legen eilandjes konden bezoeken. In de jaren twintig werd het aantal bestuursmotorbootjes op Flores uitgebreid, maar door de hoge kosten moesten deze na de crisis van 1929 weer worden afge­stoten. Uiteindelijk kon door gebrek aan benzine de contro­leur van Larantoeka in 1934 de omliggende eilan­den alleen nog maar bezoeken met een door roeiers bemand gouver­nements­sloep.[lxiv]

Ook de meest moderne communicatie-apparatuur vond haar weg naar de Timor archipel. Al in 1913 was er te Koepang een telegraafstation opge­richt, met een kabelverbinding naar Java, waardoor nieuws en bestuurs­mededelingen de Timor archipel sneller konden bereiken. Twee jaar eerder was op Flores een begin gemaakt met de aanleg van tele­foonlijnen die alle onderafdelings­hoofdplaatsen met elkaar zouden gaan verbinden. In 1914 was de verbin­ding tussen Larantoe­ka, Maoemere en Endeh klaar gekomen, waarna men het tele­foonnet naar het westen ging uitbreiden dat medio 1920 was voltooid.[lxv] Ondertus­sen had het bestuur in Endeh ook een radiostation laten gebouwen waardoor Flores een directe verbin­ding met Java had gekregen. Via het telefoonnet konden dienst­orders en berichten worden verstuurd naar de onderafde­lings­hoofdplaatsen. In de jaren dertig raakte het telefoonnet in verval. Het gouvernement kon echter geen geld vrijmaken voor de vervanging van de verouderde kabels, waardoor het bestuur zich er tot 1942 mee moest behelpen.[lxvi]

Voor de ontwikkeling van Flores was het volgens het Nederlandse bestuur erg belangrijk dat over de lengte van het eiland, van Laran­toeka op Oost-Flores naar Laboean Radja op West-Flores, een goede wegverbinding tot stand zou komen. Met dit ambitieuze project was men in 1910 begonnen. Door de massale inzet van herendiensten vlotte het werk snel. Het eerste deel van de weg, de verbin­ding tussen Endeh en Nanga Pada, kon al in 1918 in gebruik worden genomen. De inzet van zoveel herendiensten leverde in de praktijk echter nogal wat proble­men op. Zo werden werkweigeraars streng gestraft wat in 1913 tot nog al wat kritiek leidde.[lxvii] In De Locomotief werd de weg-aanleg op Flores onder assistent-resident Hens vergeleken met de aanleg van de grote postweg op Java onder Daendels. Voorstan­ders van de weg beweer­den daaren­tegen dat voor een goede afvoer van goederen uit het binnenland de weg zo snel mogelijk moest worden afgebouwd.[lxviii] Uitein­delijk heeft het tot 1927 moeten duren voordat de, 625 kilometer lange, weg feestelijk in gebruik kon worden genomen.[lxix] Daarna werd een begin gemaakt met de vervanging van de tijdelij­ke, van bamboe­hout opgetrok­ken, bruggen voor stenen bruggen. Tijdens de crisis werd dit werk door geldgebrek vertraagd. Ook bleken er nogal wat herendiensten nodig te zijn voor het onderhoud van de weg die door de zware jaar­lijkse moessonregens gedeel­telijk onbegaanbaar was geworden.

Een bezoek aan de Timor archipel werd erg vergemakkelijkt door de komst van een vlieglijn tussen Java en Australië. In 1934 opende de 'Queensland and Northern territory Air Service' een tweewe­kelijkse verbinding, die ook Koe­pang aan deed.[lxx] Op Flores waren ook twee noodvliegveldjes aangelegd waar vrijwel nooit gebruik van werd gemaakt. Het vliegveldje van Larantoeka werd daarom in 1936 opgehe­ven. Hierdoor bleef het vliegveldje van Reo als enige over.

Een reis op een gouvernementsstomer bleef de snelste manier om Flores te bereiken. De afstand Soerabaja - Flores kon daarmee in vier dagen worden overbrugd, terwijl een vliegreis tussen Flores en Soeraba­ja slechts zes uur duurde. Mede door de inspanningen van de K.P.M.-agent van Endeh steeg het aantal bezoekers van Flores. Hij had er voor gezorgd dat het Amerikaanse reisbureau 'Raymond Whitecomb' Flores in haar 'world cruises' had opgeno­men.[lxxi] Maar ook in het binnenland van Flores werd steeds meer gereisd. In Endeh waren zelfs twee concurre­rende busmaatschappijen. In de jaren dertig probeerde het bestuur het autoverkeer aan banden te leggen door het heffen van een zeer zware motorrijtuigenbelasting. In 1933 waren er op Flores twaalf motorfiet­sen, zesentwintig vrachtauto's en zevenentwintig personenauto's.[lxxii]

 

6.7  Ontwikkelingen op godsdienstig- en onderwijsgebied

Sinds de 16e eeuw was Flores een missiegebied geweest. In de jaren zestig van de 19e eeuw kwam de missie op Flores in handen van de paters van de Orde der Jezuïten. Toen zij aan hun arbeid begonnen telde Flores ruim 6.000 katho­lieken. In de 19e eeuw beperkte de missie zich tot Oost-Flores, waar zij in de plaatsen Larantoeka, Maoemere, Lela en Kotting waren gevestigd. In 1914 droeg de orde der Jezuïten het missiewerk over aan de Congregatie der paters van het Goddelijk Woord te Steyl. De Jezuïeten hadden toen ruim 30.000 mensen op Flores bekeerd.[lxxiii]

De paters van Steyl gingen voortvarend van start. Zij breidden hun werkterrein uit over heel Flores. In 1922 begonnen zij met hun missiewerk in de Mangga­rai, waar op dat moment minder dan 800 chris­te­nen woonden. Met zeven priesters en twee broeders bekeerden zij in tien jaar tijd 24.000 mensen. Het merendeel van het bekeringswerk werd echter door de zogenaamde 'goe­roes agama' gedaan. Deze, veelal oud-leerlin­gen van de volksscholen, onderhielden nauwe contacten met de rest van de bevolking en zij waren het, die het evange­lie tot in de kampongs verkondigden.[lxxiv] Het totaal aantal christenen op Flores steeg, mede door hun inspan­ningen, snel. In 1922 waren er 50.000 christenen op een totale bevolking van 361.000 mensen. In 1931 waren deze cijfers respectievelijk 162.702 en 716.165. Hoewel de bevol­king zich in tien jaar tijd bijna had verdub­beld was het aantal katholie­ken verdrievoudigd.

Het aantal katholieke geestelijken op Flores groeide ook snel. Toen de Congre­gatie der paters van het Goddelijk Woord te Steyl in 1914 met hun missie-werk begonnen, waren zij met veertien priesters, veer­tien broeders en eenendertig zusters. In 1939 waren er honderdzestien priesters, vierendertig broeders en tweeënzeventig zusters op het eiland werkzaam. Daarmee vertegen­woordigden zij meer dan de helft van het totaal aantal Europeanen op Flores.[lxxv]

Sinds 1926 was er een Klein-Seminarie op Flores. In een omge­bouwde oude pastorie in Sikka konden inheemse jongens nu een voorop­leiding tot priester krijgen. In Toda-Bela werd in 1929 een Groot-Seminarie geopend, waar zes professoren verant­woorde­lijk waren voor een vol­waardige opleiding tot priester. In 1942 konden de eerste twee Florinese studenten tot priester worden ge­wijd.[lxxvi] Onder­tussen had de titulair bisschop van de Kleine Soenda-eilanden, Mon­seigneur H. Leven, zijn bisschopszetel te Ndona op Flores gevestigd.

Het belangrijkste werk van de missie was het bekeren van de inheemse bevol­king. Dat zij daar op Flores zo succesvol in waren was vooral te danken aan de gelegenheid die het Nederlandse bestuur hun bood om de volksscholen te beheren en daar het evangelie te verkondigen. Al in de 19e eeuw hadden priesters op een particulier schooltje les gegeven aan inheemse kinderen. Omdat dit schooltje door de kerk zelf moest worden gefinancierd, kon er wegens gebrek aan geld niet meer scholen worden gebouwd.

Na de pacificatie moest er van het Neder­landse bestuur een systeem van volksscholen komen, wat verge­lijkbaar was met de dessa-scholen op Java. Het beheer van die scholen werd overgedragen aan de missie omdat zij al jaren ervaring had met het geven van onderwijs op Flo­res.[lxxvii] In de Indische archipel was dit systeem geen uitzondering. In heel Nederlands-Indië werd 15% van de inheemse scholen door de missie of de zending beheerd.[lxxviii]

De voertaal op de volksscholen was Maleis en de opleiding duurde drie jaar. Daarna konden de leerlingen kiezen tussen een vervolgopleiding of werk. Niet alle inheemse kinderen gingen naar een volksschool maar op Flores was het percenta­ge schoolgaande kinderen hoger dan op Java. [lxxix]

De meeste onderwijzers van de volksscholen kwamen in eerste instantie van de inlandseschool te Koepang. De missionarissen klaagden nogal eens over het 'lage gehalte' van deze onderwijzers. Zo kwamen er nogal wat zedendelicten voor.[lxxx] In 1922 werd de eerste schakelschool van Flores te Endeh geopend. De schakelschool was de verbindende oplei­ding tussen het inheemse lager onderwijs en het westerse onder­wijs. Op deze school was Nederlands de voertaal. Later kwamen er ook vervolgscholen op Flores. Na een vervolgschool kon een leerling een 'normaal cursus' volgen. Als hij die had afgerond was hij bevoegd les te geven op de volksscholen. In de jaren dertig waren hierdoor vrijwel alle volksschool-onderwijzers afkomstig van het eiland zelf.

Naast deze scholen beheerde de missie ook ambachtsscholen. Daarnaast hielpen de paters de inheemse bevolking met het kweken van koffie, tabak en andere gewassen. In Maoemere had de missie de landerijen van de 'Amsterdam-Soenda Compagnie' overgenomen waarop zij met succes een kokosnootonderneming hadden gevestigd.[lxxxi]

In 1916 waren er in totaal 16 volksscholen op Flores. Deze scholen waren met behulp van herendiensten gebouwd. Ook voor het onderhoud van de scholen werden herendiensten gebruikt. Daarnaast moest de inheemse bevolking finan­cieel bijdragen aan het onderwijssysteem door middel van een bevolkingsbijdra­ge voor de volksscholen. Tot het eind van de jaren twintig was de bevolkings­bijdrage Fl. 0,25 per persoon per jaar. In de jaren dertig werd dit bedrag ver­hoogd naar Fl. 0,50 per jaar. De tekorten op de onderwijsbegroting werden door de A.S.R., de 'Algemene Subsidie Regeling', gedekt. Uiteindelijk betaalde het gouvernement zo'n 75% van de totale kosten van de volksscholen.[lxxxii]

Als er ergens meer dan vijfentwintig leerlingen bijeengebracht konden worden dan was er op die plek een 'duidelijk gebleken behoefte' aan onderwijs ont­staan. In zo'n geval mocht de missie een nieuwe school oprichten. In de jaren twintig steeg door dit systeem het aantal volksscholen snel. In 1920 waren er vijfentach­tig volksscholen. In 1930 was dat aantal gestegen tot 271 met 466 leraren en 25.384 leerlingen.

In de jaren dertig vond het bestuur dat er teveel scholen op Flores waren. Door de crisis kon de bevolkingsbij­drage voor de volkss­cho­len steeds moeilijker worden geïnd, waardoor het bestuur met steeds hogere subsidies moest bijsprin­gen. In 1934 vond resident De Nijs Bik dat er teveel volksscholen waren in verhouding tot de draagkracht van de bevolking. 'Te lang reeds heeft de intel­lectuele ontwikkeling der bevolking op het eerste plan gestaan en is de materiële vooruitgang aan de natuur gelaten', aldus De Nijs Bik.[lxxxiii]­ Ondanks dat werden tussen 1920 en 1940 er toch nog honderd nieuwe volksscho­len opge­richt.

In nauwe samenhang met de invoering van het volksonderwijs staat de opkomst van nationalistische bewegingen. In 1922 was het 'Timorees Verbond' opge­richt. Deze gematigde beweging, wier aanhang vooral onder bestuursambtena­ren te vinden was, predikte samenwerking met het Nederlandse bestuur. Het verbond telde ongeveer 400 leden waarvan er enkele op Flores woonden.

Bedreigender voor het Nederlandse gezag was de 'Sarakat Timor'. Onder leiding van de socialistisch georiënteerde Pandy streefde deze partij naar de 'vrije man in de vrije staat'. Om aanhangers te winnen beloofde Pandy de inheemse bevolking vrijstelling van herendiensten en belastingen. Toen een aantal bewoners van een kampong op Solor, aangezet door Pandy, weigerden herendiensten te verrichten was voor het gouvernement de maat vol. Pandy werd opgepakt en gevangen gezet waarna de rust op Solor terugkeerde.[lxxxiv]

Dat het verder op het gebied van nationalistische bewegingen erg rustig was op Flores bleek uit de beslissing van het gouvernement om Soekarno, de latere president van de Republiek Indonesia, in de jaren dertig in Endeh te interne­ren.[lxxxv] De invloed van de missie heeft er sterk toe bijgedragen dat het nationa­lis­me op Flores vrijwel geen voedingsbodem kon vinden. Ook al waren volgens resident Maier veel belij­ders van de katholieke godsdienst niet meer dan in naam chris­ten, toch voedde de missie de inheemse bevolking op tot trouwe onderdanen van de Nederlands-Indische staat. Daarnaast werkte het christen­dom, volgens hem, als een dam tegen de oprukkende Islam.[lxxxvi]

De Islam was de tweede godsdienst en de grootste concurrent van de missie op Flores. Beide godsdiensten hadden zich vanaf de 16e eeuw over het eiland verspreid. De meeste islamieten waren te vinden onder de Boeginese en Makas­saarse strandvolken in de Manggarai en in de omgeving van Endeh. Vanuit die gebieden probeerden zij de bergbewo­ners te bekeren. Dat zij daar niet zo succesvol in waren als de missie, kwam vooral omdat de inheemse bevolking in de bergen erg van varkensvlees hielden terwijl de Islam het eten van varkens­vlees verbood.[lxxxvii] Toch groeide het aantal moslims op Flores van 33.161 in 1916 tot ongeveer 71.000 in 1932.[lxxxviii]



[i].        M.A. Bouwman, 'Uit Flores', 113.

[ii].       C. Lulofs, 'Toepassing en resultaten van nieuwere beginselen van politiek beleid in Timor en Onderhoorighe­den', Tijdschrift voor het Binnenlands Bestuur 40 (1911) 282-308, aldaar 290.

[iii].      ARA, Archief MMK, inv. nr. 340, f. 55.

[iv].      J.J. Hangelbroek, 'Controleur in Larantoeka (1937-1938)', in: S.L. van der Wal 'ed.', Besturen overzee: Herinneringen van oud-ambtenaren bij het Binnenlands Bestuur van Nederlands-Indië (Franeker 1977) 137-139.

[v].       ARA, Archief MMK, inv. nr. 340, f. 2-3.

[vi].      Bouwman, 'Uit Flores', 113.

[vii].     MvO van de resident van Timor A. Couvreur 1924, ARA, Archief Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT), inv. nr. 1268, f. 94-101.

[viii].     ARA, Archief MMK, inv. nr. 340, f. 22.

[ix].      Memorie van Overgave van de resident van Timor C. Schultz 1927, ARA, Archief KIT, inv. nr. 342, f. 2.

[x].       'Militair Civiel Gezaghebbers', Indisch Militair Tijdschrift 39 (1908) 385-387, aldaar 385-387.

[xi].      ARA, Archief MMK, inv. nr. 340, f. 25-26.

[xii].     Memorie van overgave van de resident van Timor P.F.J. Karthaus 1931, ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269. f. 87-91.

[xiii].     ARA, Archief MMK, inv. nr. 340, f. 23.

[xiv].    Bouwman, 'Uit Flores', 112.

[xv].     J. Bijlmer, 'Door Soemba, Flores en Timor', Onze Aarde 4 (1931) 346-355, 368-374, 468-474, aldaar 372.

[xvi].    ARA, Archief MMK, inv. nr. 342, bijlage.

[xvii].    MvO van de resident van Timor E.H. de Nijs Bik 1934, ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 125.

[xviii].   ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269, f. 93.

[xix].    MvO van de resident van Timor J.J. Bosch 1938, ARA, Archief MMK, inv. nr. 345, f. 111.

[xx].     Suchtelen, Endeh, 70.

[xxi].    ARA, Archief MMK, inv. nr. 341, f. 151-153.

[xxii].    ARA, Archief MMK, inv. nr. 341, f. 99.

[xxiii].   MvO van de assistent-resident van de afdeling Flores G.A. Bosselaar 1932, ARA, Archief KIT, inv. nr. 1295, f99.

[xxiv].   ARA, Archief KIT, inv. nr. 1295, f. 66.

[xxv].   Suchtelen, Endeh (Flores), 70.

[xxvi].   MvO van de gezaghebber van de onderafdeling Ende D.H. van der Paul 1934, ARA, Archief KIT, inv. nr. 1299, f. 12-14.

[xxvii].  Dietrich, Kolonialismus und Mission, 136.

[xxviii]. ARA, Archief MMK, inv. nr. 342, bijlage.

[xxix].   Dietrich, Kolonialismus und Mission, 137-138.

[xxx].   ARA, Archief MMK, inv. nr. 341, f. 144-145.

[xxxi].   ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269, f. 94.

[xxxii].  Suchtelen, Endeh (Flores), 76-82.

[xxxiii]. MvO van de controleur van de onderafdeling Oost-Flores en de Solor-eilanden C.J. Seegler 1932, ARA, Archief KIT, inv. nr. 1296, f. 29.

[xxxiv]. Dietrich, Kolonialismus und Mission, 138.

[xxxv].  ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269, f. 76.

[xxxvi]. ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 133.

[xxxvii]. ARA, Archief MMK, inv. nr. 345, f. 116.

[xxxviii].          ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269, f. 50.

[xxxix]. ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 104.

[xl].      ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269, f. 35-37.

[xli].     ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269, f. 10.

[xlii].     ARA, Archief KIT, inv. nr. 1299, f. 21.

[xliii].    ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 52-62.

[xliv].    ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 133-143.

[xlv].    Dietrich, Kolonialismus und Mission, 168.

[xlvi].    ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 85-87.

[xlvii].   ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 78.

[xlviii].  ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269, bijlage.

[xlix].    ARA, Archief MMK, inv. nr. 341, f. 75.

[l].        ARA, Archief KIT, inv. nr. 1295, f. 25-26.

[li].       ARA, Archief MMK, inv. nr. 341, f. 53-56.

[lii].      ARA, Archief KIT, inv. nr. 1268, f. 28-32.

[liii].      ARA, Archief MMK, inv. nr. 342, f. 7-9.

[liv].     ARA, Archief MMK, inv. nr. 342, bijlage.

[lv].      Koloniaal Verslag 1928, 25-28.

[lvi].     ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269, bijlage.

[lvii].     ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 48-52.

[lviii].    ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, bijlage.

[lix].     ARA, Archief MMK, inv. nr. 345, bijlage.

[lx].      ARA, Archief MMK, inv. nr. 342, bijlage.

[lxi].     ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, bijlage.

[lxii].     ARA, Archief MMK, inv. nr. 340, f. 118-125.

[lxiii].    ARA, Archief KIT, inv. nr. 1269, f. 101.

[lxiv].    ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 106.

[lxv].    Koloniaal Verslag 1914, 30.

[lxvi].    ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, f. 116.

[lxvii].   ARA, Archief MMK, inv. nr. 340, f. 130.

[lxviii].  'De wegenaanleg op Flores', Koloniaaltijdschrift 3 (1913\14) 778-780, aldaar 778-780.

[lxix].    Koloniaal Verslag 1927, 41-44.

[lxx].    ARA, Archief MMK, inv. nr. 345, f. 100.

[lxxi].    ARA, Archief KIT, inv. nr. 1299, f. 4.

[lxxii].   ARA, Archief KIT, inv. nr. 1270, bijlage.

[lxxiii].  ARA, Archief MMK, inv. nr. 341, f. 10.

[lxxiv].  MvO van de gezaghebber van de onderafdeling Manggarai W.L.J. Koy­mans 1932, ARA, Archief KIT, inv. nr. 1297, f. 16.

[lxxv].   Dietrich, Kolonialismus und Mission, 254.

[lxxvi].  F. Cornelissen, '25 jaar priesteropleiding op Flores', Het Missiewerk 30 (1951) 203-212, aldaar 203-206.

[lxxvii]. MvO van de assistent-resident van de afdeling Flores A.M. Hens 1916, ARA, Collectie Le Roux, inv. nr. 3-4, f. 75.

[lxxviii]. E. van der Boogaart en P.J. Drooglever e.a., Overzee. Nederland­se Koloniale Geschiedenis 1590-1975 (Haarlem 1982) 209.

[lxxix].  MvO van de controleur van de onderafdeling Manggarai E.E. van der Kemp 1936, ARA, Archief KIT, inv. nr. 1302, f. 15-30.

[lxxx].   ARA, Archief KIT, inv. nr. 1302, f. 28.

[lxxxi].  MvO van de onderafdelings-chef van de onderafdeling Oost-Flores en de Solor-eilanden en Maoemere J.J.M.F. Symons 1935, ARA, Archief KIT, inv. nr. 1301, f. 37.

[lxxxii]. P.R.A.F. Webb, Rural development tradition: the churches of Bali and Flores (Clayton 1990) 75.

[lxxxiii]. ARA, Archief KIT, inv.nr. 1270, f. 46-48.

[lxxxiv]. ARA, Archief MMK, inv. nr. 342, f. 61-71.

[lxxxv]. C.L.M. Penders, The live and times of Sukarno (Londen 1974) 50-53.

[lxxxvi]. ARA, Archief MMK, inv. nr. 341, f. 10-12.

[lxxxvii].          P.S. Buis, 'Het Mohamedanisme op Flores', De Katholieke Missiën 50 (1924\25) 177-180, aldaar 179.

[lxxxviii].         ARA, Archief KIT, inv. nr. 1295, f. 5.




HOOFDSTUK 7     FLORES NA 1942

In 1942 werd Nederlands-Indië overrompeld door het Japanse leger. Binnen enkele weken werd vrijwel het gehele grondgebied van Neder­lands-Indië bezet. Ook Flores viel in Japanse handen. De Europe­se bevol­king van Flores werd naar Java en Celebes vervoerd waar zij in interneringskampen terecht kwamen. Op Flores werden ook kampen gebouwd. Deze waren bestemd voor Nederland­se en Engelse krijgsgevan­ge­nen. Zij werden door de Japanners gedwongen, in de nabijheid van Maoemere, een vliegveld te bouwen, vanwaar de Japanners de Banda-zee wilden beschermen tegen mogelijke Amerikaanse aanvallen.[i]

Na de Tweede Wereldoorlog was het oosten van de Indische archipel het eerste gebied waar de Nederlandse regering, met behulp van het KNIL en Australische en Engelse troepen, haar gezag kon herstellen. Ondertussen had Soekarno op 17 augustus 1945 op Java de Republiek Indonesia uitgeroepen, die het gehele voormalig Nederlands-Indië zou moeten gaan omvatten. Als tegenzet hielp Nederland, na de confe­rentie van Malino in 1946, mee met de oprichting van de staat Oost-Indonesië waar Flores een onderdeel van zou worden. Het idee hierach­ter was Neder­lands-Indië op te delen in een federatie van staten, die via een unie verenigd waren met Nederland. Op een vergadering in Den Pasar in december 1946 werd de deelstaat Oost-Indonesië officieel opgericht waarna de vergadering zichzelf tot voorlopig parlement proclameerde. In die vergadering hadden drie Florinezen zitting waarvan één pries­ter was.[ii] Uiteindelijk liep de vorming van een federatie op een fiasco uit en werd Oost-Indone­sië in 1950 opgenomen in de eenheids­staat: de Republiek Indone­sia. Flores werd een onder­deel van de provincie East Nusa Tenggara .

De missie bleef echter haar invloed op Flores behouden. In 1957 organiseerde de katholieke kerk een sociaal economisch ontwikkelings-programma voor de Timor archipel. Als onderdeel van dit 'Flores-Timor plan' werden Europese experts op het gebied van landbouw, hygië­ne, gezond­heid en scholing naar Flores gezonden om de econo­mische en sociale toestand van de inheemse bevolking te verbeteren.[iii] Hoe­wel zij veel goed werk hadden geleverd bleef het eiland toch een econo­misch achtergebleven gebied.

De bevolking van Flores groeide daarentegen sterker dan ooit. In 1993 telde Flores bijna drie miljoen inwoners waarvan 80% katholiek was. Daarmee is het katholicisme een van de weinige overblijfselen uit een lang koloniale verleden dat al in de 16e eeuw met de komst van de Portuge­zen was begonnen.



[i].        J.H.W. Veenstra 'e.a.', Als krijgsgevangene naar de Molukken en Flores. Relaas van een Japans transport van Nederlandse en Engelse militairen 1943-1945 ('s-Gravenhage 1982) 9.

[ii].       Cornelissen, 25 jaar priester-opleiding, 209.

[iii].      Webb, 'Rural development', 10-11.




CONCLUSIE

Het eerste wat opvalt als je de geschiedenis van Flores bestudeerd, is dat het eiland nooit een zelfstandige eenheid is geweest. Voor zover te overzien valt, is Flores altijd een onderdeel geweest, of stond het onder invloed, van andere in de Indone­sische archipel liggende rijken. Tot de komst van de Europeanen in de 16e eeuw waren het niet alleen de vorsten van Madjapahit en Makassar maar ook de rijken van Boetung, Ternate en Bima die hun gezag over het eiland, of delen van het eiland, hebben doen gelden.

In de loop der eeuwen hebben zich, vooral uit bovengenoemde gebie­den, kolonis­ten op Flores gevestigd die de oorspronkelijke, Melanesi­sche, bevolking naar het bergachtige binnenland hebben verdreven. De rijkjes die de kolonisten, die zich later met de inheemse bevolking hebben vermengd, hebben gevormd waren in naam onderhorig aan de bovengenoemde rijken.

De Portugezen waren de eerste Europeanen die Flores hebben bezocht. Alhoe­wel zij handelsbetrekkingen met een aantal lokale vorsten zijn aangegaan moet hun invloed op Flores toch voornamelijk, door de vestiging van missie-posten, op het religieuze gebied gezocht worden. De komst van de VOC in de 17e eeuw heeft weinig aan deze ontwikkeling kunnen doen. De belangen van de VOC lagen vooral op het economische vlak. De contrac­ten, die gouverneur-generaal Speelman in de jaren zestig van de 17e eeuw had gesloten met de vorst van Makassar, gaven de VOC het monopo­lie op het drijven van handel in die regio. De katholieke Portu­gese invloeden op Flores waren hierdoor echter niet verdwe­nen.

De posthouders die de VOC op het eiland Solor en in de plaats Endeh hadden gevestigd, hadden geen politieke betekenis. Zij moesten er voor zorgen dat de goederen die de VOC van Flores wilde hebben, werden aangevoerd. Voor de rest heeft de VOC zich, tot haar faillis­se­ment aan het eind van de 18e eeuw, zo weinig mogelijk met dat deel van de Indonesische archipel bemoeid.

Toen de Nederlandse regering in 1816, na een Engelse interim-perio­de, het gezag over de Indonesische archipel kreeg, stond een deel van Flores nog onder Portugese invloed. Eerst in 1859, na de rectificatie van het traktaat met Portugal van 1854, kreeg de Nederlandse rege­ring, althans in naam, de soeve­reiniteit over het hele eiland. De bewering uit hoofdstuk 1: 'Nederlands-Indië was in die tijd een oninge­vuld imperium. De buitengrenzen waren bij traktaat getrokken, daar­binnen was nog veel niet ingekleurd', lijken voor Flores in het midden van de 19e eeuw zeker te gelden. De twee Nederlandse gezagdra­gers die het Nederlandse gezag op Flores vertegenwoordigden, waren uitdrukkelijk geïnstru­eerd om zich niet met het bestuur van het eiland te bemoeien. Hun aanwezig­heid op Flores lijkt daarom vooral voor de internationale politiek van betekenis. Door dit vlagvertoon wisten buitenlandse mogendheden dat Flores Nederlands bezit was. Al in 1875 concludeerde, de eerder in deze scriptie aangehaalde, P.J. Veth: "... onze vestiging op Timor [waar ondermeer ook Flores mee werd bedoeld, J.C.O.] moet derhalve een zuiver politieke betekenis hebben, namelijk: het trekken van een kordon, om andere mogendheden van het centrum van onze bezittingen te houden."[i]

Om dit te bereiken werden de lokale vorsten op Flores gedwongen contracten te tekenen, gebaseerd op de contracten die Paravini al in 1756 met enkele hoofden van Solor had gesloten, waarin zij de soeve­reiniteit van de Nederlandse regering erkenden. Daarnaast beloofden zij geen contracten met buitenlandse mogendhe­den te sluiten.

Toch liet het gouvernement Flores niet helemaal onbestuurd. De resident van Timor en Onderhorigheden bezocht regelmatig het eiland om te bemid­delen in geschillen tussen radja's. Daarnaast zag hij samen met de posthouders er op toe dat het verbod op slavenhandel en zeeroof werd nagekomen. Omdat de kustbe­volking dit verbod regelmatig overtraden, slaven waren in de 19e eeuw het grootste uitvoer 'produk­t' van Flores, zag het gouvernement zich genoodzaakt de schuldige kampongs te tuchtigen. Zo zijn in de 19e eeuw talloze kampongs vanaf schepen beschoten.

In de 19e eeuw was Flores van weinig economische waarde voor het gouverne­ment. Dit was de voornaamste reden waarom het Nederlandse bestuur zich zo weinig met Flores heeft bemoeid. Toch heeft het gouverne­ment gepoogd de koffie-, tabak- en katoencultuur onder de bevolking te verbreiden. Dit was echter geen succes, alleen de 'klappercultuur' bleek op het eiland aan te slaan. Pas toen er geruchten de ronde deden dat er tin op Flores aanwezig zou zijn, kreeg het gouvernement belang­stelling voor het eiland. Maar toen de gouver­nements-ingenieurs, onder bescherming van meer dan duizend soldaten, geen tinerts hadden kunnen vinden, raakte het eiland weer in de vergetelheid.

Pas rond de eeuwwisseling komt er aan de onthoudingspolitiek een einde. Vooral tijdens de regeringsperiode van Van Heutsz, onder invloed van het ethisch imperialisme, ging het gouvernement zich steeds meer met de Buitenge­westen bemoeien. Op Flores was deze verandering al in 1902 te merken, toen de radja van Larantoeka een verklaring moest tekenen waarin hij ten gunste van het gouvernement afstand deed van het recht op het heffen van belastingen. In de periode die daarop volgde ging het Nederlandse bestuur zich steeds vaker mengen in de interne aangelegenheden op Flores.

In 1906 werden er uiteindelijk onder leiding van Van Heutsz' adju­dant, kapitein Colijn, plannen gemaakt om Flores te incorporeren. Bestuursamb­tenaar Cou­vreur kreeg de opdracht de bestuursinvloed op Flores uit te breiden ter voorbe­reiding van andere maatregelen. De officiële reden voor deze uitbreiding van het gezag was Flores 'produktief te maken voor de schatkist'. Daarnaast wilde het gouver­nement voor eens en voor altijd rust en orde scheppen op het opstan­dige eiland. E. Locher-Scholten noemde deze laatste reden, 'het bestuurlijke motief'. De angst voor bedreiging van het Nederlandse prestige en de behoefte aan een krachtig Nederlands gezag lagen volgens haar aan dit motief ten grondslag.[ii]

De overvallen op Endeh in 1907 werden als 'casus beli' gebruikt om een militaire expeditie naar Flores voor te bereiden. De tocht van Kapitein Christof­fel en de expedities die daarop volgden hebben het eiland, althans in eerste instantie, gepacificeerd. Dat er een economisch motief heeft meegespeeld bij de pacificatie van Flores blijkt uit het feit dat het gouvernement al voor de pacifi­catie, in 1906, de mijnbouwrechten geregeld had en direct na de pacificatie mijnbouwin­genieurs naar het eiland heeft gezonden. Bruikbare ertsen hebben zij, tot grote spijt van het gouvernement, echter nooit gevonden.

Na een onrustige periode van opstanden tegen het Nederlandse bestuur en de nieuwe maatregelen, zoals de invoering van herendiensten, was het rond 1920 eindelijk rustig op Flores. Daarmee had het gouverne­ment in ieder geval het bestuurlijke motief bereikt: het scheppen van rust en orde.

Tussen 1910 en 1920 schreven de residenten van Timor en Onderhorighe­den in de memories van overgave dat de economische verwachtingen voor hun gewest gunstig waren. Dit hebben zij waarschijnlijk geschreven uit eigenbelang omdat zij, met het kweken van grote economische verwach­tingen, meer geld voor hun gewest van het gouvernement los wilden krijgen. In de jaren twintig lijken deze gunstige verwachtin­gen uit te komen. Hoewel de katoen-, koffie-, en tabakscul­tuur wederom niet aansloeg bij de bevolking, groeide de uitvoer van copra als nooit daarvoor. Door de gunstige conjunctuur werd er een hoge prijs op de wereldmarkt voor betaald. Mede door deze resultaten kon er een overschot op de landschapsbegroting van Flores worden behaald.

Tijdens de crisis van de jaren dertig was de prijs van copra sterk gedaald, waardoor de export stagneerde. De gevolgen voor het, geheel van de wereld­eco­nomie afhankelijke Flores, waren catastrofaal. Belastingen konden niet meer geïnd worden en het gouvernement moest steeds vaker bijspringen met subsi­dies. Flores was weer in de toe­stand van voor de pacificatie vervallen. Alhoe­wel er aan het eind van de jaren dertig een kleine economische opleving was, bleken de hoge economische verwachtingen voor Flores toch niet reëel. De be­schrij­ving die controleur Hangelbroek in 1938 van Laran­toeka gaf, is bijna identiek aan de beschrijving die zijn voorganger Couvreur meer dan dertig jaar daarvoor had gegeven: een rustig plaatsje waar eigenlijk niets gebeurt.[iii]

Wat opvalt als de incorporatie van Flores vergeleken wordt met het algemene beeld, geschetst in het theoretische hoofdstuk 1, is dat de incorporatie van Flores in grote lijnen het algemene beeld volgt. Flores is in 1907 niet geïncor­poreerd op uitnodiging van rivali­serende vorsten maar het gouvernement heeft, om bestuur­lijke en economische redenen en uit angst voor het buitenland, zich met geweld in de interne aangelegenheden van Flores gemengd. In 1905 werd de radja van Larantoeka afgezet en na 1907 werden de andere vorsten van Flores gedwongen de Korte Verklaring te tekenen waardoor zij stroman­nen van het Nederlandse bestuur waren geworden. In de gebieden waar geen vorsten waren, maakte het Neder­landse bestuur iemand tot radja. De radja's hoefden niet meer bang te zijn voor een interne machts­strijd omdat zij zich voor hun positie zeker wisten van de steun van het Nederlandse bestuur. De radja's werden wel met grotere bestuur­lij­ke bevoegdheden belast, waardoor de lokale hoofden voor een deel van hun taken werden ontlast. Dat de radja's het bestuur uitein­delijk voor een groot deel overlieten aan de Nederlandse bestuurs­ambtena­ren wijdde het gouver­nement aan hun 'lage gehalte'. Ik denk dat de grote bemoei­zucht van de Nederlandse bestuursambtenaren hierin een rol heeft gespeeld.

De meer zichtbare vormen van incorporatie zoals onder andere de uitbreiding van de scheepvaart, de aanleg van telefoon- en telegraaf­ka­bels, de bouw van wegen, ziekenhuizen en scholen en het geven van vaccinaties heeft allemaal op Flores plaatsgevonden. De vestiging van Westerse bedrijven op Flores is echter, ondanks het toekennen van subsidies, mislukt. Ook heeft het nationa­lisme er geen voedingsbodem kunnen vinden. Uiteindelijk is het de missie geweest die de grootste stempel op Flores heeft gedrukt. Tegenwoordig is meer dan 80% van de Florineze bevolking katholiek terwijl er vrijwel niemand meer Neder­lands spreekt.

Alhoewel Flores pas in 1907 is geïncorporeerd in het Nederlands-Indisch staatssysteem, stamden de contacten met Nederland al uit de 17e eeuw. De incorporatie van Flores wijkt vrijwel niet af van het algemene beeld van incorporatie in Nederlands-Indië, zoals weergege­ven in hoofdstuk 1.



[i].        Veth, 'het eiland Flores', 153-184.

[ii].       Locher-Scholten, Sumatraans Sultanaat, 287-289.

[iii].      Couvreur, 'Een dienstreis', 551-566.

Ivan Oele, augustus 1995 te Amsterdam




OVERZICHT VAN GERAADPLEEGDE WERKEN

 

Ongepubliceerde bronnen

 

Algemeen Rijksarchief (ARA), Den Haag

Archief Ministerie van Koloniën (MMK)

Inv. nr. 336, Memorie van Overgave (MvO) van de resident van Ti­mor Resident H.C. Hume, 1875

Inv. nr. 337, MvO van de resident van Timor C.M.G.A.M. Economa Verste­ge, 1878

Inv. nr. 338, MvO van de resident van Timor J.G.F. Riedel, 1880

Inv. nr. 339, MvO van de resident van Timor J.F.A. de Rooy, 1908

Inv. nr. 340, MvO van de resident van Timor C.H. van Rietschoten, 1913

Inv. nr. 341, MvO van de resident van Timor E.G.Th. Maier, 1918

Inv. nr. 342, MvO van de resident van Timor C. Schultz, 1927

Inv. nr. 343, MvO van de resident van Timor P.F.J. Karthaus, 1931

Inv. nr. 344, MvO van de resident van Timor B.H. de Nijs Bik, 1934

Inv. nr. 345, MvO van de resident van Timor J.J. Bosch, 1938

Inv. nr. 352, MvO van de controleur van de onderafdeling Ngada P. Koster, 1938

 

Archief Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT)

Inv. nr. 1268, MvO van de resident van Timor A. Couvreur, 1924

Inv. nr. 1269, MvO van de resident van Timor P.F.J. Karthaus, 1931

Inv. nr. 1270, MvO van de resident van Timor E.H. de Nijs Bik, 1934

Inv. nr. 1294, Militaire memorie van West-Flores bevattende de onderaf­deling Ngada en Manggarai Anon, 1930

Inv. nr. 1295, MvO van de assistent-resident van de afdeling Flores G.A. Bosselaar, 1932

Inv. nr. 1296, MvO van de controleur van de onderafdeling Oost-Flores en de Solor-eilanden C.J. Seegeler, 1932

Inv. nr. 1297, MvO van de gezaghebber van de onderafdeling Mangga­rai, W.L.J. Koymans, 1932

Inv. nr. 1298, Nota over het zelfbesturende landschap Larantoeka van contro­leur C.J. Seegeler, 1932

Inv. nr. 1299, MvO van de gezaghebber van de onderafdeling Ende D.H. van der Poel, 1934

Inv. nr. 1301, MvO van de onderafdelings-chef van de onderafdeling Oost-Flores en de Solor-eilanden en Maoemere J.J.M.F. Symons, 1935

Inv. nr. 1302, MvO van de controleur van de onderafdeling Manggarai E.E. van der Kamp, 1936

Inv. nr. 1303, MvO van de controleur van de onderafdeling Ngada P. Koster, 1938


Collectie Le Roux

Inv. nr. 1-2, MvO van de gezaghebber van de onderafdeling Ende J.J. De Vries, 1910

Inv. nr. 3-4, MvO van de assistent-resident van de afdeling Flores A.M. Hens, 1916

Inv. nr.   9, Beschrijfing van het eiland Flores

Inv. nr.  10, Nota van de onderafdeling Ende door G.B. Hooyer, 1914 

 

 

Gedrukte bronnen

 

Albertini, R. von, Europaïsche kolonialherrschaft 1880-1940 (Zürich 1976).

 

Arensbergen, A.J. van, 'De missie onder de heidenen van Oost-Flo­res', Berichten uit Nederlandsch Oost-Indië 21 nr 4 (1909) 254-270.

 

Atlas van Tropisch Nederland ('s-Gravenhage 1938).

 

Beckering, J.D.H., 'Beschrijving der eilanden Adonara en Lomblem, behorende tot de Solor-groep', Tijdschrift van het Koninklijk Neder­landsch Aardrijkskun­dig Genootschap 28 (1911) 167-202.

 

Bemmelen, J.F. van, K.P.M. reisgids voor Nederlandsch-Indië (Amster­dam 1906).

 

Binnerts, C., "Alles in orde heren ...!" Een dagboek van het eiland Flores uit het jaar 1943 (Amsterdam 1947).

 

Boogaart, E. van den 'ea.', Overzee. Nederlandse koloniale geschiede­nis 1590-1975 (Haarlem 1982).

 

Bouwman, M.A., 'Uit Flores', Indologenblad 8 (1916\17) 112-114.

 

Buis, S., 'Het Mohamedanisme op Flores', De Katholieke Missiën 50 146-149, 161-165, 177-180; 51 1-3, 21-22, 33-36.

 

Bijlmer, J., 'Door Soemba, Flores en Timor', Onze Aarde 4 (1931) 346-355, 368-374, 467-474.

 

Campo, J. à, 'Orde rust en welvaart: Over de Nederlandse expansie in de Indische archipel omstreeks 1900', Acta Politica 15 (1980) 145-189.

 

Campo, J. à, Koninklijke Parketvaart Maatschappij; stoomvaart en staatsvor­ming in de Indonesische archipel 1888-1914 (Amsterdam 1992).

 

'Celebes en Flores', Tijdschrift voor Nederlands-Indië I (1890) 382-389.

 

Clercq. F.S.A. Bijdragen tot de kennis van Ternate (Leiden 1890).

 

Cornelissen, F., '25 jaar priesteropleiding op Flores', Het Missie­werk 30 (1951) 203-212.

 

Couvreur, A.J.L., 'Een dienstreis benoorden Larantoeka (Oost-Flores), 23-28 april 1907', Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 25 I (1908) 551-566.

 

Clemens, A.H.P., 'De inheemse rubbercultuur in Jambi en Palembang tijdens het interbellum', in: A.H.P. Clemens en J.Th. Lindblad 'ed,', Het belang van de Buitenge­westen. Economi­sche expansie en koloniale staatsvorming in de Buiten­gewesten van Nederlandsch-Indië 1870-1942 (Amsterdam 1989) 213-241.

 

'De expeditie naar Flores', De Indische Gids 29 II (1907) 1849-1851.

 

'De onlusten op Flores', Weekblad voor Indië 4 nr 4 (1907) 368-373.

 

Dietrich, S., 'Flores in the nineteenth century: Aspects of Dutch colonialism on a non-provitable island', Indonesia Circle 31 (1983) 39-58.

 

Dietrich, S., 'A note on Galiyao and the early history of the Solor-Alor-Islands', Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 140 (1984) 317-326.

 

Dietrich, S., Kolonialismus und Mission auf Flores 1900-1942 (Hohen­schäftlarn 1989).

 

Doel, H.W. van der, 'Military rule in the Netherlands Indies', in: R. Cribb 'ed.', The late kolonial state in Indonesia. Political and economical foundations of the Netherlands Indies 1880-1942 (Leiden 1994) 57-97.

 

Doorn, J.A.A. van, De laatste eeuw van Indië (Amsterdam 1994).

 

'Een tocht van 10 dagen door Flores met kapitein Christoffel', Weekblad voor Indië 4 (1907\08) 704-710.

 

'Een expeditie naar Flores', De Indische Gids 29 II (1907) 1412-1413.

 

Eerde, J.C. van, 'Don Lorenzo II van Larantoeka', Onze Eeuw 23 (1923) 73-113.

 

Engberts, J.D.H., 'Troonsopvolging in het rijk van Sikka', Berichten uit Nederlandsch Oost-Indië 10 nr.3 41-49.

 

Ezerman, H.E.K. 'Heerendiensten in de Residentie Timor en Onderhoor­igheden', Koloniaal Tijdschrift 5 (1916) 1470-1479.

 

Fasseur, C., 'Een koloniale paradox. De Nederlandse expansie in de Indonesi­sche archipel in het midden van de negentiende eeuw (1830-1870)', Tijdschrift voor Geschiedenis 92 (1979) 162-186.

 

Fasseur, C., De weg naar het paradijs (Amsterdam 1995).

 

Fieldhouse, D.K., Economics and Empire 1830-1914 (Londen 1973).

 

Fischer, H.W. en W.H. Russers, Die oestlichen Kleine Soenda-inseln (Leiden 1924).

 

Freijss, J.P., 'Reizen naar Manggarai en Lombok 1854-1856', Tijd­schrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde 3 (1860) 443-505.

 

Gebuis, L., 'Ontwikkelingen in de Timor Archipel', Koloniale Studiën 23 (1939) 264-278.

 

Gonggrijp, G., Schets ener economische geschiedenis van Indonesië (Haarlem 1957).

 

Goor, J, van, Kooplieden, predikanten en bestuurders overzee: beeld­vorming en plaatsbepaling in een andere wereld (Utrecht 1982).

 

Goor, J. van, Imperialisme in de marge. De afronding van Nederlands-Indië (Utrecht 1986).

 

Goor, J. van, Indië/Indonesië van kolonie tot natie (Utrecht 1987).

 

Goor, J. van, De Nederlandse koloniën. Geschiedenis van de Nederland­se expansie. 1600-1975 (Utrecht 1994).

 

Graaf, H.J. de, Geschiedenis van Indonesie (Bandung 1949).

 

H.B. & W.B.O., 'Onlusten op Flores in 1904 en 1905 ', Indisch Mili­tair Tijdschrift 36 (1905) 971-994, 1149-1152.

 

Hangelbroek J.J., 'Controleur in Larantoeka (1937-1938)', in S.L. van der Wal 'ed.', Besturen overzee: Herinneringen van oud-ambtenaren bij het Binnenland­se Bestuur van Nederlandsch-Indië (Franeker 1977).

 

Heerkens, P., Flores: de Manggarai (Uden 1930).

 

Heslinga, T., 'Larantoeka op het eiland Flores', Berichten uit Nederlandsch Oost-Indië 3 (1891) 46-84.

 

Heurn, W.C. van, 'Reis-indrukken van een bioloog op Timor en Flores', Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genoot­schap 48 (1931) 924-930.

 

Heynen, F.C., 'Het rijk Larantoeka op het eiland Flores in Neder­landsch-Indië', Studiën op Godsdienstig, Wetenschappelijk en Letter­kundig Gebied VIII (1876) 1-95.

 

Heynen, F.C., 'Het Christendom op het eiland Flores in Nederlandsch-Indië', Studiën op Godsdienstig, Wetenschappelijk en Letterkundig Gebied VIII (1876) 100-200.

 

Heynen, F.C., Schetsen uit de Nederlandsch-Indische missie: De kerkelijke statien op Flores ('s-Hertogenbosch 1876).

 

Hooyer, G.B., De Krijgsgeschiedenis van Nederlandsch-Indië van 1811 tot 1894 3 dln. (Den Haag 1895/97).

 

Hulstijn, P. van, Van Heutsz en de Buitengewesten ('s-Gravenhage 1926).

 

Idema, H.A., Parlementaire geschiedenis van Nederlandsch-Indië 1891-1918 ('s-Gravenhage 1924).

 

IJsseldijk, A., 'Troebelen op Flores', Bijdragen uit Nederlandsch Oost-Indië 16 nr.4 (1904) 37-41.

 

Jobse, P., De tin-expedities naar Flores, 1887-1891 (Utrecht 1980).

 

Jonge, H. de, 'Staatsvorming per contract. Het Madurese regentschap Sumenep, de VOC en Nederland-Indië, 1680-1883', Symposion I (1979) 170-186.

 

Kate, H.F.C. ten, 'Wetenschappelijke reis ... naar het eiland Flo­res', Tijd­schrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 2e reeks 8 I en II (1991) 330-331, 401-402, 517-518, 681-682, 748-751, 827-829, 953-954; TAG 2e r. 9 (1892) 70-71.

 

Kleian, E.F., 'Eene voetreis over het oosterlijk deel van het eiland Flores', Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde 34 (1891) 485-532.

 

Kluppel, J.M., 'De Solor-eilanden', Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde 20 (1873) 378-398.

 

Kniphorst, J.H.P.E., 'Een terugblik op Timor en Onderhoorigheden', Tijd­schrift voor Nederlandsch Indië (1885) 14/I 355-380, 401-483; 14/II 1-41, 81-146, 198-209, 241-311, 321-362.

 

Koloniaal Verslag 1849 tot en met Koloniaal Verslag 1930 (Den Haag).

 

Kuitenbrouwer, M., Nederland en de opkomst van het moderne imperia­lisme (Amsterdam 1985).

 

Kuitenbrouwer, M., 'Het imperialisme van een kleine mogendheid', in: N.C.F. van Sas 'ed.',De kracht van Nederland (Haarlem 1991).

 

Lamster, J.C., J.B. van Heutsz als Gouveneur-Generaal 1904-1909 (Amsterdam 1909).

 

Lindblad, J.Th., 'De opkomst van de Buitengewesten', in: A.H.P Clemens en J.Th. Lindblad 'ed.', Het belang van de Buitengewesten. Economische expansie en koloniale staatsvorming in de Buitengewesten van Nederlands-Indië 1870-1942 (Amsterdam 1989) 1-37.

 

Lindblad, J.Th., 'The contribution of foreign trade to colonial state formation in Indonesia, 1900-1930', in: R. Cribb 'ed.', The late colonial state in Indonesi­a. Political and economical foundations of the Netherlands Indies 1880-1942 (Leiden 1994) 93-117.

 

Locher-Scholten, E., Ethiek in fragmenten. Vijf studies over koloni­aal denken en doen van Nederlanders in de Indonesische archipel 1877-1942 (Utrecht 1981).

 

Locher-Scholten, E., Sumatraans sultanaat en de koloniale staat (Leiden 1994).

 

Lulofs, C., 'Gezagsuitbreiding', De Indische Gids 28 II (1906) 1342-1354.

 

Lulofs, C., 'Toepassing en resultaten van nieuwere beginselen van politiek beleid in Timor en Onderhoorigheden', Tijdschrift voor het Binnenlandsch Bestuur 40 (1911) 282-308.

 

McVey, R.T., 'Introduction local voices, central power', in: R.T. McVey 'ed.', Southeast Asian transition. Approaches through social history (New Haven 1978).

 

Mennes, H.M.M., 'Eenige aantekeningen over de onderafdeling Manggarai op het eiland Flores', Koloniaal Tijdschrift 20 (1931) 242-371.

 

'Militair Civiel Gezaghebbers', Indisch Militair Tijdschrift 39 (1908) 385-387.

 

Nateris, P.J. de, 'Uit ons missie leven op Flores: Bezoek aan een nieuwe kampong', Berichten uit Nederlandsch Oost-indië 21 nr.3 (1909) 185-193.

 

Nateris, P.J. de, 'Toestanden en gebruiken op Oost Flores', Berichten uit Nederlandsch Oost-Indië 25 nr.3 (1913) 203-214.

 

Niel, R. van, 'Colonialism revisited: resent historiography', Journal of World History 1 nr.1 (1990) 109-124.

 

'Opgave van de Rijken, waarmee door het Nederlandsch-Indisch Gouver­nement contracten zijn gesloten, welke bepalingen ten aanzien van het Mijnwezen inhouden, en van den inhoud dier bepalingen', Jaarboek van het Mijnwezen in Nederlandsch Oost-Indië 13 (1884).

 

Ouwehand, C., 'Aantekeningen over volksordening en grondrecht op Oost-Flores', Indonesië 4 (1950) 54-71.

 

Paulus, P. 'ed.', Encyclopaedie van Nederlands-Indië deel 1 (s'-Gravenhage 1917).

 

Pels, P. en O. Salemink, 'Introduction: Five theses on ethnography as colonial practice', in: P. Pels en O. Salemink 'ed.', Colonial Ethnographies (Malaysia 1994) 1-34.

 

Penders, C.L.M., The live and times of Sukarno (Londen 1974).

 

Potting, C.J.M., 'De komst van Nederlandse banken naar Sumatra', in: A.H.P. Clemens en J.Th Lindblad 'ed.', Het belang van de Buitengewes­ten. Economi­sche expansie en koloniale staatsvorming in de Buitenge­westen van Nederlands-Indië 1870-1942 (Amsterdam 1989) 67-94.

 

Rademacher, J.C.M., 'Korte beschrijving van het eiland Celebes, en de eilanden Floris, Soembawa, Lombok en Balie', Verhandelingen van het Batavi­aaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen IV (1786) 3.

 

Riedel, J.G.F., 'Timor en Onderhoorigheden in 1878 en later', De Indische Gids 7/I (1885) 1-12.

 

Robinson, R.J., 'The transformation of the state Indonesia', Bulletin of concer­ned Asian scholars 14 (1982) 48-60.

 

Roos, S., 'Iets over Endeh', Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volken­kunde 24 (1877) 481-582.

 

Rouffaer, G.P., 'Naschrift over het oud-Portugeesche fort op Ende; en de Dominikaner Solor Flores missie, 1561-1638', Nederlandsch-Indië, Oud en Nieuw 8 (1923\24) 121-128, 141-148.

 

Rouppe van der voort, Th., 'Flores. Uit Nita', Berichten uit Neder­landsch Oost-Indië 19 (1907) 149-155.

 

'Schets van onze staatkundige verhouding tot de verschillende Radja's en volksstammen in de  Residentie Timor', Tijdschrift voor Neder­landsch Indië 6/I (1877) 321-344. 

 

Schulte Nordholt, H., State, village and ritual in Bali. A historical perspective (Amsterdam 1991).

 

Schulte Nordholt, P., 'The Making of Traditional Bali: Colonial ethnography and bureaucratic reproduction', in: P. Pels en O. Sale­mink 'ed.', Colonial Etnographies (Malaysia 1994) 89-127.

 

Sevink, J., 'Maoemere. Vooruitgang der missie', Berichten uit Neder­landsch Oost-Indië 19 (1907) 126-132.

 

Schmidhamer, P.G., 'De expeditie naar Zuid-Flores 11 mei tot 19 november 1890', Indisch Militair Tijdschrift 24 II (1893) 101-115, 197-213, 289-307, 385-404, 493-504; IMT 25 I (1894) 1-12.

 

Somer, J.M., Vesteging, doorvoering en consolidatie van het Neder­landsche gezag in Nederlandsch-Indië (Breda 1935).

 

Staveren, J.A. van, 'De Rokka's van Midden-Flores', Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde 57 (1916) 117-175.

 

Steinberg, D.J. 'ed.', In search of Southeast Asia. A modern history (Londen 1971).

 

Suchtelen, B.C.C.M.M. van, 'De ruïne van het oud-Portugeesche fort op Poelau Endeh (Zuid-Flores)', Nederlandsch-Indië, Oud en Nieuw 8 (1923\24) 80-87.

 

Suchtelen, B.C.C.M.M. van, Endeh (Flores) (Weltevreden 1921).

 

Toussaint, M. Indonesian market atlas (Hong Kong 1989).

 

Veer, P. van't, De Atjeh-oorlog (Amsterdam 1969).

 

Veenstra, J.H.W. 'e.a.', Als krijgsgevangene naar de Molukken en Flores. Relaas van een Japans transport van Nederlandse en Engelse militairen 1943-1945 (`s-Gravenhage 1982).

 

Verheijen, J.A.J., Komodo: Het eiland, het volk en de taal (Den Haag 1983).

 

Verster, J., 'De jongensschool te Lela (Flores)', Berichten uit Nederlandsch Oost-Indië 18 (1906) 20-27; 19 (1907) 133-137.

 

Veth, P.J., 'Het eiland Flores', Tijdschrift voor Nederlandsch indië 17 (1855) 153-184.

 

Veth, J.P., 'Geographische aantekeningen betrekking hebbende op het eiland Flores', Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aard­rijkskundig genoot­schap 1 (1876) 180-187.

 

Vlekke, B.M.H., Geschiedenis van den Indischen Archipel (Roermond 1947).

 

Vosmaer, J.N., 'Kort berigt omtrent Geliting (Noordkust van Flores)', Tijd­schrift voor Indische taal-, Land- en Volkenkunde 11 (1862) 147-154.

 

Wallerstein, I., The modern worldsystem III. Capitalist argiculture and origins of the European world-economie 1730-1840 (San Diego 1989).

 

'Wegenaanleg op Flores', Koloniaal Tijdschrift 3 (1913\14) 778-780.

 

Webb, P.R.A.F., 'Rural development tradition: the churches of Bali and Flores', Centre of southeast Asian studies (1990).

 

Wesseling, H.L., 'Bestond er een Nederlands imperialisme?', Tijd­schrift voor Geschiedenis 99 (1986) 214-225.

 

Wesseling, H.L., Indië verloren rampspoed geboren en andere opstellen over de geschiedenis van de Europese expansie (Amsterdam 1988).

 

Wichmann, A., 'Bericht über eine im 1888-1889 im auftrage der Nie­derländi­schen Geographischen Gesellschaft ausgefürte reise nach dem Indischen Archi­pel. III Flores.', Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap 8 II (1991), 188-293.

 

Witte, J.C., J.B. van Heutsz. Leven en legende (Bussum 1976).